ECLI:NL:RBLIM:2026:2686

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
ROE 24/3472
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.6 WKOArt. 2.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieaanvraag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen voor 2014 en 2015

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de toeslagjaren 2014 en 2015, welke door de Dienst Toeslagen is afgewezen. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen deze afwijzing en komt tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie heeft toegekend.

De kern van het geschil betreft het feit dat de toeslagpartner van eiser vanaf 3 oktober 2014 in Mexico verbleef, waardoor er geen recht op kinderopvangtoeslag bestond. Ook in de periode van 2 september tot 3 oktober 2014 was er geen recht omdat de toeslagpartner geen ‘doelgroeper’ was volgens artikel 1.6 van de Wet kinderopvang (WKO). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij wel recht had op kinderopvangtoeslag of dat er sprake was van bijzondere hardheid.

De rechtbank stelt vast dat er geen aanwijzingen zijn voor institutionele vooringenomenheid of onzorgvuldigheid in de procedure. De compensatieregeling is bedoeld voor situaties waarin sprake is van onrechtmatige terugvordering of onthouding van toeslagen door fouten van de Belastingdienst, maar dit is hier niet het geval. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat eiser geen recht heeft op compensatie over 2014 en 2015.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/3472

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Sarikas),
en

Dienst Toeslagen,

(gemachtigde: mr. S. Heersink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag over de toeslagjaren 2014 en 2015. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht aan eiser geen compensatie heeft verstrekt voor de toeslagjaren 2014 en 2015. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 29 maart 2022 (primair besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 mei 2024 op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser (digitaal) en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Voorgeschiedenis
3. Eiser en zijn partner zijn in 2013 getrouwd en op [geboortedatum] 2014 is [minderjarige] (hierna: het kind) geboren. De toeslagpartner met de Mexicaanse nationaliteit heeft rechtmatig verblijf in Nederland gehad van 12 juni 2014 tot 6 september 2014. Op 27 augustus 2014 heeft eiser de eerste aanvraag gedaan voor kinderopvangtoeslag met als ingangsdatum van de opvang 2 september 2014, bij een gastouder in [plaats 1] . Op het moment van de aanvraag wonen eiser, zijn partner en het kind in [plaats 2] . Op 3 oktober 2014 vertrekt de partner naar Mexico en verhuizen eiser en het kind naar [plaats 1] . Zij schrijven zich in op het adres van de ouders van eiser. De KOI-viewer van de gastouder vermeldt dat zij gastouder was van één kind maar dit is niet het kind van eiser. De gastouder is blijkens de aangifte IB gestaakt met haar werkzaamheden op 10 oktober 2014.
4. Met het besluit van 23 september 2014 is aan eiser een voorschot kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2014 toegekend van nihil. Met het besluit van 21 oktober 2014 is het voorschot voor 2014 verhoogd naar € 410,-. Met het besluit van 21 november 2014 is het voorschot gesteld op € 3.486,- en op 6 februari 2015 is het voorschot wederom op nihil gesteld. Er is bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 23 september 2014 en 21 oktober 2014 maar deze bezwaren zijn op 15 april 2015 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep in een uitspraak van 23 augustus 2017 ongegrond verklaard. De Afdeling Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft deze uitspraak bevestigd op 17 oktober 2018. [1]
5. Met het besluit van 27 december 2014 is eiser een voorschot kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2015 toegekend van € 10.547,-. Met het besluit van 21 januari 2015 is het voorschot op nihil gesteld. Op 21 maart 2015 is nogmaals het voorschot op nihil vastgesteld. Dit is ook in bezwaar en beroep bevestigd. Op 16 juni 2015 heeft eiser nogmaals kinderopvangtoeslag aangevraagd. Op 11 november 2015 heeft de Dienst Toeslagen aangegeven dat er niet op de aanvraag beslist hoeft te worden. Het bezwaar is op 6 februari 2016 ongegrond verklaard. Daartegen is beroep ingesteld. De Dienst Toeslagen heeft zich in beroep nader op het standpunt gesteld dat eiser geen recht heeft op kinderopvangtoeslag omdat zijn partner – ten tijde in geding – in Mexico woonde. De rechtbank heeft op 16 augustus 2016 uitspraak gedaan; het beroep is gegrond maar de rechtsgevolgen worden in stand gelaten. Met de uitspraak van 6 december 2017 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank bevestigd. [2]
Verzoek herbeoordeling
6. Op 18 februari 2020 heeft eiser zich telefonisch bij de Dienst Toeslagen gemeld voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag over, voor zover nu relevant, de jaren 2014 en 2015.
6.1.
Bij brief van 26 april 2021 is eiser geïnformeerd dat hij op basis van de eerste toets geen voorschot van € 30.000 uitbetaald krijgt maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
7. Met het primaire besluit heeft de Dienst Toeslagen het verzoek om compensatie afgewezen. De Dienst Toeslagen heeft met het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard. De Dienst Toeslagen heeft hieraan ten grondslag gelegd dat geen sprake is van institutioneel vooringenomen handelen en dat de compensatieregeling daarom over de jaren 2014 en 2015 niet van toepassing is en er geen sprake is van hardheid. Op grond van artikel 1.6 van de Wet kinderopvang (WKO) heeft een ouder met een toeslagpartner slechts aanspraak op kinderopvangtoeslag voor een berekeningsjaar indien de partner in Nederland, een andere lidstaat van de EU of Zwitserland woont en een re-integratietraject naar werk, een studie of een inburgeringscursus volgt. Niet in geschil is dat de toeslagpartner van eiser vanaf 3 oktober 2014 in Mexico woonde waardoor er vanaf die datum geen recht bestaat. Over de daaraan voorafgaande periode van 2 september 2014 tot 3 oktober 2014 bestond ook geen recht omdat de toeslagpartner op grond van artikel 1.6 WKO geen ‘doelgroeper’ was. De partner van eiser is namelijk op 3 oktober 2014 naar Mexico gereisd voor een inburgeringscursus. Er is dan ook sprake van evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Ook over toeslagjaar 2015 staat in rechte vast dat eiser geen recht heeft op kinderopvangtoeslag omdat de partner het hele jaar in Mexico verbleef. [3]
Verder wordt aangegeven dat eiser tegen de boete bezwaar heeft kunnen maken. Ook is er destijds een persoonlijke betalingsregeling geweigerd kunnen worden.
Beroepsgronden
8. Eiser stelt dat de herbeoordelingsprocedure buitensporig lang heeft geduurd en onzorgvuldig verlopen is; de menselijke maat is niet gehanteerd. Eiser betwist dat hij geen recht had op kinderopvangtoeslag vanwege het verblijf van zijn partner in Mexico. Zij heeft Nederland gedwongen moeten verlaten en hij vindt het onredelijk dat dit tegen hem wordt gebruikt. Eiser maakte wel degelijk gebruik van kinderopvang in 2014. Dit kan bevestigd worden door de gastouder, maar deze is niet meer te bereiken. Door de administratieve transitie van gastouderbureau WeCare naar Kinderwoud is waarschijnlijk verwarring ontstaan. Eiser verkeerde toen in een penibele gezondheidssituatie. Volgens eiser is een deel van de problematiek ontstaan doordat zijn partner een ‘code 98’ had. Dit heeft ook geleid tot grote schulden, zoals een boete van € 7.000,- over huurtoeslag terwijl hij nooit huurtoeslag heeft ontvangen. Verder heeft het geleid tot een paspoortsignalering en is ten onrechte een boete opgelegd over 2014 en 2015 waar geen bezwaar tegen open stond. Verder heeft eiser nooit uitleg gekregen over het contactverbod. Tot slot stelt eiser dat hij in 2016 geen minnelijk schuldsaneringstraject kon volgen omdat de Belastingdienst weigerde mee te werken.

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen terecht de aanvraag van eiser voor compensatie over de toeslagjaren 2014 en 2015 heeft afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Achtergrond
10. In de uitvoering van de kinderopvangtoeslag in voorgaande jaren zijn fouten
gemaakt, waarvan ouders de dupe zijn geworden. Deze toeslagenaffaire heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om burgers te compenseren voor deze fouten. Het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. De compensatie wordt door verweerder toegekend. De uitvoering van deze regelingen is belegd bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT).
10.1.
De rechtbank stelt vast dat met ingang van 5 november 2022 de Wht van kracht is. Op grond van het overgangsrecht worden compensatiebeschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn genomen vóór de inwerkingtreding van de Wht, aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens de Wht.
Was sprake van institutionele vooringenomenheid en/of hardheid bij de toepassing van het toenmalige wettelijke systeem?
11. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht volgt dat van institutionele vooringenomenheid sprake kan zijn geweest op groepsniveau of op het niveau van een individuele ouder. Bij institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen gaat het om een collectieve stopzetting van de kinderopvangtoeslag zonder voorafgaande individuele beoordeling, het opvragen bij belanghebbenden van grote hoeveelheden bewijsstukken over een of meerdere jaren, gevolgd door een zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met soms een tweede controle, wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing van de aanspraak op kinderopvangtoeslag was gevonden. Ook gaat het om het niet nader opvragen van informatie bij belanghebbenden bij een gebleken tekortkoming daarin en het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de stukken. Met een zerotolerance-onderzoek wordt een aanpak bedoeld waarbij op excessieve wijze strikt werd gehandhaafd, vanuit de gedachte dat iedere gebleken overtreding of onregelmatigheid een indicatie was van stelselmatig misbruik of fraude. Het gaat niet om de optelsom van de genoemde kenmerken of het afzonderlijk aanwezig zijn daarvan, maar om het in samenhang voorkomen daarvan in een dossier van een belanghebbende. Het betreft geen limitatieve opsomming.
11.1.
Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, Wht komt voor compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op kinderopvangtoeslag in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst Toeslagen. Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van de Wht blijft compensatie achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht heeft op kinderopvangtoeslag.
11.2.
Op grond van artikel 1.6, derde lid (oud), van de WKO heeft een ouder met een toeslagpartner slechts aanspraak op kinderopvangtoeslag voor een berekeningsjaar indien de partner in Nederland, een andere lidstaat van de EU of Zwitserland woont en een re-integratietraject naar werk, een studie of een inburgeringscursus volgt.
11.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht geen aanleiding gezien om compensatie toe te kennen vanwege institutionele vooringenomenheid of hardheid bij de toepassing van het toenmalige wettelijke systeem voor wat betreft de toeslagjaren 2014 en 2015. Van institutioneel vooringenomen handelen is niet gebleken. Dat er geen recht bestond op kinderopvangtoeslag kwam doordat de toeslagpartner vanaf 3 oktober 2014 en het gehele jaar 2015 in Mexico was. Daarnaast is ook terecht vastgesteld dat er vanaf 2 september 2014 tot 3 oktober 2014 evenmin recht bestaat op kinderopvangtoeslag aangezien de toeslagpartner op grond van artikel 1.6 van de WKO geen ‘doelgroeper’ was. Uit het dossier blijkt dat de toeslagpartner van eiser op 3 oktober 2014 naar Mexico is gereisd voor haar inburgeringscursus. Eiser voldeed dus niet aan de voorwaarden van de WKO waardoor hij geen recht had op kinderopvangtoeslag. Wettelijk gezien is er dus sprake van evident geen recht op kinderopvangtoeslag. De wijze waarop de beoordeling tot stand is gekomen geeft ook naar het oordeel van de rechtbank geen blijk van vooringenomen handelen.
11.4.
Eisers beroepsgrond dat er sprake is van bijzondere hardheid kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet slagen. Eiser stelt dat hij wel kosten heeft gemaakt voor kinderopvang maar dit heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft zijn standpunt niet onderbouwd met bijvoorbeeld facturen, een jaaropgave of bankafschriften. Dat eiser in bewijsnood verkeert vanwege het tijdsverloop volgt de rechtbank niet. In de uitspraak van de rechtbank van 23 augustus 2017 heeft de rechtbank al geoordeeld dat eiser geen stuk heeft overgelegd. De uitspraak van de rechtbank ligt redelijk dicht op de toeslagjaren 2014 en 2015.
11.5.
Het betoog van eiser dat er meer onderzoek gedaan had moeten worden door de Dienst Toeslagen en dat er niet zomaar uitgegaan mocht worden van de verklaring van de administratief medewerker van Kinderwoud, kan de rechtbank ook niet volgen. De Dienst Toeslagen is niet uitgegaan van een enkele verklaring maar heeft ook betrokken dat de betreffende gastouder gestopt was per 10 oktober 2014.
11.6.
Voor de lange duur van de procedure is eiser gecompenseerd. Voor het standpunt van eiser dat de procedure onzorgvuldig is verlopen, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten in de gedingstukken.
11.7.
De overige gronden die eiser aanvoert gaan niet over de besluitvorming die nu voorligt. Deze beroepsgronden vallen buiten de omvang van dit geding en worden dan ook niet door de rechtbank beoordeeld.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M. Horsten-Kuijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 23 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.De Dienst Toeslagen heeft gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2017, 201607363/1/Aw.