Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3348

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
ROE 25/296 en ROE 25/2014
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 Wvw 1994Art. 131 Wvw 1994Art. 23 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

CBR mag onderzoek naar rijgeschiktheid opleggen ondanks betwisting proces-verbaal

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het CBR om een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid op te leggen en tegen de afwijzing van zijn verzoek om herziening van dat besluit. De rechtbank beoordeelt of het CBR terecht een vermoeden van ongeschiktheid heeft vastgesteld op basis van een mededeling en bijbehorende stukken.

De feiten betreffen een snelheidsovertreding van 59 km/u boven de limiet en verklaringen van eiser over het effect van PTSS op zijn rijgedrag. Eiser betwist de juistheid van de processen-verbaal en stelt dat het CBR onterecht op die stukken heeft vertrouwd. De rechtbank overweegt dat bestuursrechtelijke bewijsregels gelden en dat het CBR mag afgaan op op ambtseed opgemaakte processen-verbaal tenzij er gegronde twijfel bestaat.

De rechtbank concludeert dat het CBR terecht een vermoeden van ongeschiktheid heeft aangenomen en dat het beroep tegen het opleggen van het onderzoek ongegrond is. Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om herziening is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat het doel van het verzoek al bereikt is met de lopende bezwaar- en beroepsprocedures. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het opleggen van het onderzoek naar rijgeschiktheid is ongegrond en het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om herziening niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummers: ROE 25/296 en ROE 25/2014

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. B.J.J. Schins),
en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: mr. S. Sheikchote).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beroepen die eiser heeft ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een onderzoek naar de rijgeschiktheid van eiser en het besluit op zijn verzoek om die oplegging te herzien. Eiser is het niet eens met die besluiten. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank of de het CBR tot deze besluiten had mogen komen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen de oplegging van het onderzoek ongegrond is en het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om herziening niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 22 augustus 2024 heeft het CBR aan eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid opgelegd. Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 21 december 2024 is het CBR bij de oplegging van het onderzoek gebleven.
2.1.
Op 14 januari 2025 heeft eiser het CBR verzocht om het besluit van 22 augustus 2024 te herzien. Met het besluit van 11 maart 2025 heeft het CBR dat verzoek afgewezen. Tegen dat besluit heeft eiser ook bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 15 juli 2025 is het CBR bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroepen ingesteld tegen beide beslissingen op bezwaar. Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Oplegging onderzoek naar rijgeschiktheid (ROE 25/296)
3. De rechtbank stelt voorop dat uit het dossier en het verhaal van eiser ter zitting blijkt dat eiser als agent veel heeft meegemaakt bij zijn oude werkgever en dat dit veel impact op hem heeft gehad en nog heeft. De vraag die bij de rechtbank voorligt is of het CBR grond kon hebben voor het vermoeden dat eiser niet langer beschikte over de geestelijke gesteldheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven. Als dat niet het geval is, dan is het CBR verplicht om een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen. [1] Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
4. De mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw), die heeft geleid tot het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid van eiser, is gebaseerd op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op 9 juli 2024.
4.1.
In het (op ambtseed opgemaakte) proces-verbaal van bevindingen van 10 juli 2024 staat dat de verbalisant op 9 juli 2024 een verzoek kreeg om een geconstateerde boordsnelheid c.q. een gereden snelheid (van een onopvallend dienstvoertuig die niet geijkt is) te controleren op een daadwerkelijk gecorrigeerde snelheid, in verband met een invordering van een rijbewijs naar aanleiding van een overschrijding van de maximumsnelheid met meer dan 50 kilometer per uur. Die controle heeft plaatsgevonden, waaruit de verbalisant heeft geconcludeerd dat dat eiser een werkelijk gecorrigeerde snelheid van 139 kilometer per uur heeft gereden op een weg waar een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur geldt.
4.2.
Met het mailbericht waarmee de mededeling is verstuurd, is ook een dossier over eiser is meegestuurd. In dat dossier bevindt zich een proces-verbaal van overtreding van 17 juli 2024, opgemaakt op ambtsbelofte door twee verbalisanten. In dat proces-verbaal hebben zij – voor zover van belang – opgenomen: “
Wij, verbalisanten, zagen dat het verkeerslicht op groen sprong en dat voornoemd voertuig snel optrok. (…) Om te kijken hoe hard voornoemd voortuig reed, reed ik, verbalisant [naam] achter voornoemd voertuig aan. (…) Komende bij de afslag naar het retailpark Sittard-Geleen, zoals later bleek ter hoogte van hm-paal 1.7, zagen wij, verbalisanten, dat de boordsnelheid op het digitale dashboard van ons voertuig 150 km/u aangaf, aangeduid met cijfers. (…) Wij zagen dat de onderlinge afstand tussen voornoemd voertuig en ons dienstvoertuig gelijk dan wel nagenoeg gelijk bleef.(…)
Ik, verbalisant [naam], hoorde dat de verdachte zei dat hij een politie collega is en dat hij door zijn PTSS soms getriggerd wordt en dat hij hierdoor harder kan gaan rijden. (…) Ik, verbalisant [naam], hoorde dat de verdachte zei dat hij door triggers van deze PTSS soms harder in het verkeer rijdt.(…) Bij nader onderzoek in de politiële systemen bleek dat de verdachte [eiser] in het verleden al 2 maal eerder betrokken was bij verkeers- en snelheid gerelateerde meldingen.”
Omvang van het geding
5. De rechtbank stelt vast dat eiser meerdere argumenten in beroep heeft aangevoerd die zien op de wijze van het (uiteindelijk plaatsgevonden) onderzoek, het resultaat van dat onderzoek en de conclusie die het CBR daaraan heeft verbonden met het besluit van 8 januari 2025, namelijk dat eiser rijgeschikt is geacht, met een termijnbeperking van één jaar. Deze argumenten vallen buiten de omvang van dit geding, omdat de besluitvorming hier niet over gaat. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij om hem moverende redenen geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 8 januari 2025. De rechtbank komt niet toe aan een bespreking van de argumenten, gericht tegen het besluit van 8 januari 2025.
Betwisting proces-verbaal
6. Eiser betwist de inhoud van de processen-verbaal die het CBR aan de besluitvorming ten grondslag legt. Het CBR had daar niet op mogen vertrouwen. Het klopt niet dat hij heeft verklaard dat hij vanwege PTSS te hard rijdt in het verkeer. Hij geeft aan tijdens zijn staandehouding te hebben verklaard dat hij triggers van PTSS krijgt als hij te maken krijgt met politie. Verder wijst eiser erop dat hij eerder een werkconflict heeft gehad met de verbalisant die (uiteindelijk) de mededeling heeft opgemaakt. Die mededeling is opgemaakt om hem te pesten. Bovendien voert hij aan dat het CBR het besluit niet had mogen nemen, omdat ten onrechte is overwogen dat eiser 59 kilometer per uur te hard heeft gereden. Die constatering door de politie is volgens hem onjuist. Hij voelt zich hierbij ondersteund door het sepot van de strafzaak vanwege gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Omdat het bewijs ontbreekt dat eiser 59 kilometer per uur te hard heeft gereden, had het CBR daar niet van mogen uitgaan. Ook voor de overige verkeersmisdragingen die worden aangehaald door het CBR ontbreekt het bewijs, aldus eiser.
6.1.
Volgens vaste rechtspraak [2] mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden van ongeschiktheid ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij dient te worden opgemerkt dat in het bestuursrecht andere bewijsregels gelden dan in het strafrecht. Een sepot of vrijspraak hoeft niet zonder meer gevolgen te hebben voor de bestuursrechtelijke procedure. [3] De feiten waarop het vermoeden van ongeschiktheid is gebaseerd, hoeven, anders dan in het strafrecht, ook niet wettig en overtuigend bewezen te worden. Daarbij benadrukt de rechtbank nog dat voor het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid slechts sprake hoeft te zijn van een vermoeden van ongeschiktheid; die ongeschiktheid hoeft nog niet daadwerkelijk vast te staan. Het uiteindelijke onderzoek dient ter vaststelling daarvan.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat het besluit overwegend is gebaseerd op het proces-verbaal van overtreding van 17 juli 2024, waarin staat opgenomen dat eiser zou hebben gezegd dat hij door triggers van PTSS soms harder in het verkeer kan gaan rijden, en niet op de snelheidsovertreding die heeft plaatsgevonden welke ten grondslag is gelegd aan de mededeling. Gelet op de verklaring van eiser, die dan wel wordt gezien in samenhang met de overige omstandigheden als de snelheidsovertreding en de eerdere verkeers- en snelheidsgerelateerde meldingen, heeft het CBR geconstateerd dat sprake is van ernstig onaangepast rijgedrag en abnormale opwindingstoestanden zodat er een onderzoek moest worden opgelegd naar de rijgeschiktheid.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het CBR zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van de mededeling en de daarbij behorende stukken een vermoeden kan worden afgeleid dat eiser niet langer rijgeschikt is. Hetgeen eiser heeft aangevoerd is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat er zodanige twijfel bestaat over de waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal dat die niet aan het besluit ten grondslag had mogen worden gelegd. Het enkel betwisten van de feiten is daarvoor onvoldoende. De rechtbank overweegt daarbij ten eerste dat eiser, voor zover hij aangeeft dat het onjuist is dat zijn PTSS effect heeft op zijn rijgedrag, dat zelf heeft verklaard. Op 9 juli 2024 is hij op straat gehoord door een van de verbalisanten. In dit proces-verbaal staat:
“(Deze verklaring is letterlijk overgenomen van een verklaring op papier door verdachte) Ik verklaar het volgende: “
Ik weet niet of ik zo hard had gereden. Ik had een trigger en reed iets harder.” Nadat de verdachte de verklaring had doorgelezen, verklaarde de verdachte in te stemmen met de verklaring en ondertekende deze in concept”. Deze verklaring van eiser is opgenomen in het proces-verbaal van verhoor verdachte, op ambtsbelofte opgemaakt op 11 juli 2024. Uit deze verklaring van eiser, die is afgegeven kort na de gebeurtenissen, leidt de rechtbank af dat eiser al last had van een trigger voordat hij staande werd gehouden door een onherkenbaar dienstvoertuig. Daarmee bestaat al reden om te vermoeden dat de rijgeschiktheid van eiser in het geding is, waarbij de rechtbank opmerkt dat het opleggen van het onderzoek een bestuursrechtelijke maatregel is die erop is gericht om de verkeersveiligheid te waarborgen. De mate van de snelheidsovertreding, wat daar ook van zij, doet aan het voorstaande niet af. Het staat immers, gelet op de eigen verklaring van eiser, buiten twijfel dat een snelheidsovertreding heeft plaatsgevonden waarvan het vermoeden bestaat dat deze een verband houdt tot de PTSS van eiser. Aan eiser wordt verder geen onderzoek opgelegd naar zijn rijvaardigheid, maar naar de rijgeschiktheid. Ten slotte maakt ook de omstandigheid dat eiser een werkconflict heeft gehad met de opsteller van de mededeling het voorgaande niet anders. De verklaringen van eiser die het vermoeden rechtvaardigen vloeien namelijk voort uit enerzijds processen-verbaal die zijn opgemaakt op ambtsbelofte door andere verbalisanten en anderzijds uit een eigen op papier geschreven verklaring. Gelet op het voorstaande had het CBR aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid mogen opleggen. Het beroep met zaaknummer ROE 25/296 is daarom ongegrond.
Verzoek om herziening (ROE 25/2014)
7. Eiser heeft het CBR verzocht om het besluit waarmee het onderzoek naar zijn rijgeschiktheid is opgelegd te herzien, omdat het Openbaar Ministerie de strafzaak tegen hem (één dag voordat het besluit is genomen) heeft geseponeerd omdat er onvoldoende overtuigend wettig bewijs is. In beroep voert hij hierover aan dat het CBR ten onrechte heeft overwogen dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn die niet bekend waren, of konden zijn, ten tijde van het besluit van 22 augustus 2024. De sepotbrief, en de nadere toelichting die daarop is gegeven, zijn nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan het besluit van 22 augustus 2024 niet in stand kan blijven, aldus eiser.
8. De rechtbank ziet zich bij het beroep over het verzoek om herziening voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij de behandeling van dat beroep. Zij overweegt daarover als volgt.
8.1.
Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Om vast te stellen of eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek om herziening, moet worden bekeken wat hij met het herzieningsverzoek kan bereiken. [4]
8.2.
Vastgesteld moet worden dat het besluit van 22 augustus 2024 nog niet in rechte vast staat. Doordat eiser bezwaar en beroep daartegen heeft ingesteld, is hij nog in de gelegenheid geweest om nieuwe gronden in te dienen. Het doel dat eiser beoogt met zijn verzoek om herziening wordt daarom al bereikt met de (eerder) ingestelde rechtsmiddelen. Gelet hierop heeft het verzoek om herziening, en het uiteindelijk ingestelde beroep, geen toegevoegde waarde ten opzichte van het eerder behandelde beroep en acht de rechtbank in zoverre dan ook geen procesbelang aanwezig. Het beroep met zaaknummer ROE 25/2014 is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep met zaaknummer ROE 25/296 is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het CBR terecht aan eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid heeft opgelegd. Het beroep met zaaknummer ROE 25/2014 is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. Gelet op deze conclusies krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep met zaaknummer ROE 25/296 ongegrond;
  • verklaart het beroep met zaaknummer ROE 25/2014 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 9 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: wet- en regelgeving

Wegenverkeerswet 1994
Artikel 130, eerste lid
1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
Artikel 131, eerste lid
1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:
oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.
Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Artikel 23, derde lid, onder b
3. Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:
in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder B, onderdelen I en II;
Bijlage bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

(…) II geestelijke geschiktheid

verwardheid, geheugenstoornissen, oriëntatiestoornissen;
ernstig gestoord inzicht of gedrag;
ernstig onaangepast rijgedrag;
agressiviteit in het verkeer;
paniekaanvallen;
abnormale opwindingstoestanden;
poging tot zelfdoding in het verkeer;
een van de in onderdeel A, subonderdelen I of II, genoemde gedragingen, indien het vermoeden bestaat dat ze het gevolg zijn van onvoldoende geestelijke geschiktheid.

Voetnoten

1.Zie artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw 1994 en artikel 23 van Pro de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1519.
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3010.
4.Vergelijk wat is overwogen onder 5 tot en met 5.2 de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3105.