ECLI:NL:RBLIM:2026:5386

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
12166216 CV EXPL 26-1725
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering wegens ontbreken spoedeisend belang en betwisting arbeidsovereenkomst

Eiser trad in september 2023 in dienst bij een zusteronderneming van Peppernuts op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die stilzwijgend werd verlengd. Vanaf september 2024 verrichtte hij werkzaamheden voor Peppernuts, maar op basis van overeenkomsten van opdracht via een derde partij. Eiser vorderde loonbetaling en een verklaring voor recht dat er vanaf september 2024 een arbeidsovereenkomst bestond.

Peppernuts betwistte het bestaan van een arbeidsovereenkomst en voerde aan dat eiser geen spoedeisend belang had omdat hij pas na zeven maanden na beëindiging van de opdracht een procedure startte. De kantonrechter oordeelde dat bij loonvorderingen over langere tijd zwaardere eisen gelden voor spoedeisendheid en dat eiser onvoldoende zijn financiële situatie had onderbouwd.

Daarnaast is het bestaan van een arbeidsovereenkomst betwist en kan dit niet eenvoudig worden vastgesteld in kort geding. Ook is de vordering onzeker vanwege het verweer dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd en de vervaltermijn is verstreken. Daarom is toewijzing in kort geding niet gerechtvaardigd.

De kantonrechter wees alle vorderingen af en veroordeelde eiser in de proceskosten.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de loonvordering en verklaring voor recht af wegens ontbreken van spoedeisend belang en onzekerheid over het bestaan van een arbeidsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12166216 \ CV EXPL 26-1725
Vonnis in kort geding van 3 juni 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. M.E. Huisman,
tegen
PEPPERNUTS B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Peppernuts,
gemachtigde: mr. E.P.G. Lucius.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 april 2026 met 19 producties,
- de producties 1 tot en met 12 van Peppernuts,
- de mondelinge behandeling van 18 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,
- de spreekaantekeningen van Peppernuts.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] is op 7 september 2023 bij Fabulous for Less B.V. (hierna: FfL), een zusteronderneming van Peppernuts, in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd, te weten tot en met 12 december 2023. Deze arbeidsovereenkomst is stilzwijgend verlengd.
2.2.
Van 1 april 2024 tot en met 4 september 2024 heeft [eisende partij] geen werkzaamheden voor FfL of Peppernuts verricht.
2.3.
Vanaf 4 september 2024 heeft [eisende partij] (voornamelijk) werkzaamheden verricht in de winkel van Peppernuts in [plaats 2] . Voor zijn werkzaamheden ontving [eisende partij] een vergoeding van € 16,45 per uur.
2.4.
Vanaf die datum kreeg [eisende partij] maandelijks overeenkomsten van opdracht ter ondertekening voorgelegd door Get Crew Done (hierna: GCD) en werd hij ook door GCD betaald, conform door Peppernuts aan GCD doorgegeven gewerkte uren.
2.5.
Op 20 juni 2025 heeft [eisende partij] van Peppernuts een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ontvangen voor de periode 1 juni 2025 tot en met 31 december 2025. [eisende partij] heeft deze arbeidsovereenkomst niet geaccepteerd, omdat hij met terugwerkende kracht een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf 1 oktober 2024 wenste. Peppernuts stemde hier vervolgens niet mee in en stelt dat [eisende partij] op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden heeft verricht.
2.6.
[eisende partij] heeft Peppernuts op 4 september 2025 een e-mail gestuurd waarin hij zich ziek heeft gemeld en waarin hij loondoorbetaling tijdens ziekte verlangde.
2.7.
Daarop heeft Peppernuts [eisende partij] op 5 september 2025 een e-mail gestuurd met - voor zover van belang - de volgende inhoud:
“Ik wil wel benadrukken dat je niet in loondienst bent maar dat wij een overeenkomst van opdracht hebben.
In loondienst geldt loondoorbetaling bij ziekte (art. 7:629 BW Pro). Bij een overeenkomst van opdracht is dit niet het geval. Meldt een opdrachtnemer zich ziek, dan vervalt de opdracht. Er is dus geen recht op doorbetaling van de vergoeding.
Ik stel voor dat jij contact met mij opneemt wanneer je denkt dat je klaar bent voor het hervatten van deze opdracht of om een andere opdracht te bespreken.”
2.8.
[eisende partij] meldde zich met zijn e-mail van 12 september 2025 beter en gaf aan dat hij maandag weer aan het werk zal zijn.
2.9.
Daarop heeft Peppernuts op 13 september 2025 laten weten dat de dienst van maandag al was ingevuld, maar dat ze maandag wel konden bespreken
“welke shifts we nu als opdracht kunnen aanbieden”.
2.10.
[eisende partij] heeft op 14 september 2025 laten weten dat er geen opdracht was en dat hij recht heeft op 36 contracturen per week.
2.11.
Peppernuts heeft [eisende partij] in haar e-mail van 15 september 2025 het volgende verstuurd:
“Het is duidelijk dat we hierin sinds enige tijd van inzicht verschillen. Maar het heeft wat mij betreft geen nut om telkens in dezelfde discussie te komen. Peppernuts blijft bij zijn standpunt dat de opdracht is beëindigd zoals we hebben aangegeven in onze e-mail van vr 5 sep, 13:11. (…) Je bent nog steeds welkom straks om te bespreken of en hoe we een nieuwe opdracht kunnen starten.”
2.12.
In zijn e-mail van 15 september 2025 heeft [eisende partij] zich opnieuw ziek gemeld en doorbetaling van het loon verzocht.

3.Het geschil

3.1.
Nu de vordering onder I. van [eisende partij] tot het bepalen van een datum waarop de zitting plaats zal vinden reeds is vervuld, zal de kantonrechter de overige verzoeken van [eisende partij] hernummeren. [eisende partij] vordert - samengevat - en na vermindering en wijziging van eis op de zitting:
I. Peppernuts te veroordelen om aan [eisende partij] het salaris te betalen van € 2.566,20 bruto per maand, te vermeerderen met de vakantietoeslag en de opbouw van vakantiedagen tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd;
II. Een verklaring voor recht dat [eisende partij] vanaf 5 september 2024 een arbeidsovereenkomst heeft en het achterstallige vakantiegeld en opbouw van vakantiedagen per deze datum;
III. Betaling van het salaris over de periode september 2025 tot heden, zijnde een bedrag van € 15.397,20 bruto, vermeerderd met 8% vakantietoeslag (zijnde € 205,30 bruto per maand) en 8,3% vakantie-uren (zijnde € 212,99 bruto per maand);
IV. De wettelijke verhoging over het achterstallige salaris;
V. De wettelijke rente vanaf datum opeisbaarheid over bovenstaande vorderingen.
3.2.
[eisende partij] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij vanaf 5 september 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden voor Peppernuts heeft verricht. Zo werkte [eisende partij] als [functie] in de winkel van [plaats 2] en verrichtte hij dezelfde werkzaamheden als destijds via de arbeidsovereenkomst met FfL. Verder had [eisende partij] een vaste arbeidsomvang van gemiddeld 35 uur per week tegen een uurloon van € 16,45 bruto. [eisende partij] heeft geen inschrijving bij de kamer van koophandel, maakte geen facturen op en heeft geen btw-aangifte gedaan. Tot slot was sprake van een gezagsverhouding omdat [eisende partij] gebonden was aan de bedrijfsregels en openingstijden van Peppernuts, en ontving hij geregeld instructies van Peppernuts.
3.3.
Peppernuts voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. Peppernuts meest verstrekkende verweer houdt in dat [eisende partij] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen nu [eisende partij] na de beëindiging van de opdracht op 15 september 2025 zeven maanden heeft gewacht met het uitbrengen van de dagvaarding. Ook heeft [eisende partij] zijn financiële situatie niet nader onderbouwd. Voor het geval dat er wel sprake is van een spoedeisend belang voert Peppernuts subsidiair aan dat [eisende partij] alleen werkzaamheden heeft verricht op basis van een overeenkomst van opdracht. Peppernuts betwist dat sprake zou zijn geweest van een arbeidsovereenkomst. Meer subsidiair, voor het geval er wel sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst, voert Peppernuts aan dat de vorderingen van [eisende partij] zijn vervallen, omdat hij niet binnen twee maanden na het einde van de overeenkomst een procedure aanhangig heeft gemaakt.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eisende partij] een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van zijn vordering, in die zin dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daarnaast geldt dat de kantonrechter bij de beoordeling van de vorderingen van [eisende partij] tot uitgangspunt neemt dat die vorderingen alleen toewijsbaar zijn in het geval hij aannemelijk maakt dat deze in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat, vooruitlopend daarop, toewijzing van de gevorderde voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat, gelet op het voorlopige karakter van een procedure in kort geding, geen plaats is voor nadere bewijslevering. De kantonrechter dient haar beslissing te nemen op grond van de inhoud van de stukken zoals deze in het geding zijn gebracht en wat tijdens de mondelinge behandeling door en namens partijen is verklaard.
4.2.
De kantonrechter stelt voorop dat bij een loonvordering in kort geding in beginsel kan worden volstaan met de enkele stelling dat sprake is van spoedeisendheid, nu de spoedeisendheid uit de aard van de vordering volgt. Achterliggende gedachte daarbij is dat een werknemer afhankelijk is van de betaling van het loon om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Dit is echter anders indien de loonvordering van langere tijd geleden is. In dat geval kan niet worden volgehouden dat er een verband is tussen de loonvordering en het levensonderhoud waarin voorzien dient te worden. In dat geval gelden voor het spoedeisend belang zwaardere motiveringseisen, net zoals bij een geldvordering van een andere soort.
4.3.
In deze zaak gaat het om een loonvordering over een periode van maar liefst acht maanden, nu [eisende partij] vanaf 5 september 2025 niets meer betaald heeft gekregen. [eisende partij] heeft verklaard dat hij geen WW-uitkering heeft aangevraagd en dat hij heeft geleefd van zijn (spaar)geld en financiële ondersteuning van zijn vriendin. Het spoedeisend belang is er volgens [eisende partij] in gelegen dat hij het achterstallige salaris nu nodig heeft omdat hij zijn volledige spaargeld inmiddels heeft gebruikt en zijn financiële middelen beperkt zijn. Een verdere onderbouwing van zijn financiële situatie is evenwel uitgebleven. Zo heeft [eisende partij] geen bankafschriften overgelegd, waaruit een onvoldoende saldo blijkt, en geen aanmaningen of herinneringen van openstaande rekeningen, waaruit blijkt dat [eisende partij] niet meer in staat is om aan zijn financiële verplichtingen te voldoen en dus niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien. Kortom, [eisende partij] heeft onvoldoende gesteld waarom hij nu nog een spoedeisend belang heeft bij de loonvordering en waarom de uitkomst van een eventuele bodemprocedure niet kan afgewacht.
4.4.
Dat klemt temeer nu de grondslag van de vordering van [eisende partij] (dat er (nog steeds) een arbeidsovereenkomst bestaat tussen hem en Peppernuts) door Peppernuts is betwist en ook niet eenvoudig kan worden vastgesteld. [eisende partij] heeft een verklaring voor recht gevorderd, maar daarvoor is in een kort geding al helemaal geen plaats, nu dit een declaratoire beslissing is, die in kort geding niet gegeven mag worden. De kort geding rechter kan niet meer dan een inschatting maken van wat een rechter in de bodemprocedure zal beslissen en vervolgens beoordelen of - vooruitlopend daarop - de verzochte voorzieningen kunnen worden toegewezen.
4.5.
Peppernuts heeft niet alleen betwist dát er sprake was een arbeidsovereenkomst, maar ook gesteld dat (als dat wel het geval was) die arbeidsovereenkomst in september 2025 door opzegging is beëindigd en de vervaltermijn van twee maanden om daartegen op te komen, is verstreken. De kantonrechter acht het allerminst uitgesloten dat een rechter in een eventuele bodemprocedure in ieder geval dit tweede standpunt van Peppernuts zal volgen. Daarmee is de vordering van [eisende partij] dermate onzeker, dat voor toewijzing in kort geding, vooruitlopend op de bodemprocedure, geen plaats is.
4.6.
Gelet op al het voorgaande zal de kantonrechter alle vorderingen van [eisende partij] afwijzen.
4.7.
[eisende partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Peppernuts worden begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.009,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.