ECLI:NL:RBLIM:2026:7034

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
ROE 26/1527
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 53a PWArt. 8 EVRMArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsuitkering wegens niet hoofdverblijf op inschrijfadres

Verzoekster had een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, maar het college weigerde haar aanvraag omdat zij niet aannemelijk maakte dat zij haar hoofdverblijf had op het opgegeven inschrijfadres. Na een uitgebreid onderzoek, waaronder meer dan 90 waarnemingen, huisbezoeken en controle van diverse gegevens, concludeerde het college dat verzoekster niet op het inschrijfadres verbleef.

Verzoekster voerde aan dat zij wel in de woning verbleef en gaf verklaringen over haar afwezigheid bij huisbezoeken vanwege psychische klachten. De voorzieningenrechter vond deze verklaringen onvoldoende en stelde vast dat de waarnemingen proportioneel en subsidiar waren, waardoor de inbreuk op haar privacy gerechtvaardigd was.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster de inlichtingenplicht had geschonden door het niet melden van haar werkelijke hoofdverblijf en dat het college het recht op bijstand terecht had afgewezen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. De uitspraak bindt niet in een eventueel bodemgeding en er is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf had op het inschrijfadres.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1527

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juli 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J.H.M. Verstraten),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond

(gemachtigden: mr. I. van Driel-Kuiper en M.A.G. Hilkens).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een bijstandsuitkering. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 28 mei 2026 heeft het college de aanvraag van verzoekster voor een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.
2.1.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit
3. Verzoekster ontving sinds 1 oktober 2022 een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft naar aanleiding van een anonieme melding op 7 januari 2026, dat verzoekster al een jaar zou samenwonen op het adres van haar ex-partner, een onderzoek laten instellen door de sociale recherche.
Het onderzoek heeft bestaan uit waarnemingen bij het uitkeringsadres en het adres van de ex-partner, onderzoek naar het waterverbruik en energieverbruik, een huisbezoek, buurtonderzoek, controle BRP, bankafschriften van verzoekster, controle Suwinet, controle streetview, internetonderzoek, verblijf buitenland, verklaring ex-partner en twee gesprekken met verzoekster. Op grond van deze resultaten is volgens het college gebleken dat verzoekster in ieder geval vanaf 15 december 2025 niet het hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. Door het niet melden van deze relevante wijziging in haar woon- en leefsituatie heeft verzoekster de op haar rustende inlichtingenplicht geschonden.
3.1.
Met het besluit van 16 maart 2026 heeft het college het recht op bijstand ingetrokken vanaf 15 december 2025 en over de periode van 15 december 2025 tot en met 31 december 2025 het recht op bijstand te herzien wegens schending van de inlichtingenverplichting.
4. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft op
22 mei 2026 [1] het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
4.1.
Op 5 maart 2026 heeft verzoekster zich opnieuw gemeld voor een bijstandsuitkering en op 12 maart 2026 heeft ze een aanvraag ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de sociale recherche opnieuw een onderzoek ingesteld naar het recht op bijstand van verzoekster. Daarvoor is verzoekster gevraagd om een overzicht te overleggen van de momenten dat ze thuis is. Het onderzoek heeft bestaan uit meer dan 90 waarnemingen, 17 pogingen tot een huisbezoek, 8 bezoeken van de woningcorporatie, het waterverbruik, de door verzoekster ingeleverde bankgegevens, de verklaringen van buurtbewoners en door verzoekster overgelegde formulieren en getuigenverklaringen. Uit het onderzoek is volgens het college gebleken dat verzoekster in de periode maart 2026 tot en met mei 2026 niet haar hoofdverblijf had op het inschrijfadres. Verzoekster en haar dochter zijn in deze periode slechts zeer beperkt in de woning waargenomen. De verklaringen die verzoekster heeft afgelegd over haar hoofdverblijf en de door haar ingeleverde formulieren en getuigenverklaringen over haar verblijf zijn meegenomen in de beoordeling, maar sluiten onvoldoende aan bij de objectieve bevindingen uit het onderzoek.
Standpunten van partijen
5. Verzoekster voert aan dat het college ten onrechte de aanvraag voor een bijstandsuitkering heeft afgewezen. Verzoekster is van oordeel dat uit de rapportage van de sociale recherche niet de conclusie getrokken kan worden dat zij niet op haar inschrijfadres zou wonen. Verzoekster is van mening dat zij in haar verklaringen bij de sociale recherche een duidelijke toelichting heeft gegeven waarom zij bij onaangekondigde huisbezoeken niet aanwezig was. Zij heeft verblijfslijsten overgelegd en ook aangegeven dat zij veel op de bank in het donker met haar laptop lag in verband met haar psychische problemen. Hierdoor is er in de woning geen tv zichtbaar of heeft verzoekster een verklaring gegeven voor het feit dat er weinig licht in haar woning brandde. Daarnaast is verzoekster van mening dat er ook geen reden was om de aanvraag af te wijzen nu het recht op uitkering wel was vast te stellen. Uit de overgelegde bankafschriften, het waterverbruik en de verklaring van verzoekster zelf blijkt immers dat verzoekster haar hoofdverblijf heeft in haar eigen woning, doch met enige regelmaat gedurende een korte periode bij haar ex-partner heeft verbleven in verband met de zorg voor zijn dochter en het feit dat verzoekster niet alleen in haar woning kon verblijven. Daarnaast is verzoekster van mening dat de waarnemingen stelselmatig waren gelet op de frequentie, intensiteit en duur van de observaties. Gedurende de observaties is bezwaarmaakster zelfs gevolgd en een enkele maal heeft de observaties ruim twee uur geduurd. Bezwaarmaakster is van mening dat hiermee zodanige inbreuk is gemaakt op haar privacy dat de waarnemingen niet meegenomen mogen worden in het kader van het onderzoek.
6. Het college heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat verzoekster de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Zij heeft niet haar hoofdverblijf op het opgegeven adres. Daarom kan het college het recht op bijstand niet vaststellen. Het college stelt zich in het bestreden besluit en het verweerschrift op het standpunt dat niet kan worden gevolgd dat de waarnemingen een ongerechtvaardigde inmenging in het privéleven van verzoekster waren. Het is vaste rechtspraak dat een bijstandsverlenende instantie bij de uitvoering van een onderzoek naar het recht op bijstand van een betrokkene waarnemingen mag verrichten, voor zover dat in de gegeven situatie en gelet op de bekende feiten en omstandigheden noodzakelijk is en deze waarnemingen niet een min of meer compleet beeld geven van een bepaald aspect van het persoonlijk leven van de betrokkene. Het college stelt zich op het standpunt dat de hier aan de orde zijnde waarnemingen niet een dergelijk min of meer compleet beeld geven. Uit het journaal van de waarnemingen blijkt dat het voor het merendeel om korte waarnemingen ging die plaatsvonden vanaf de openbare weg. Daar waar een langere waarneming is verricht, was er iets bijzonders aan de hand en is dit in het kader van de zorgvuldigheid gedaan. Hierbij is van belang dat het onderzoek heeft plaatsgevonden in het kader van een nieuwe aanvraag om bijstand, na eerdere beëindiging wegens onduidelijkheid over het hoofdverblijf van verzoekster. Juist in dat kader is een zorgvuldige en objectieve vaststelling van de feiten noodzakelijk. Volgens het college is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Na het administratieve onderzoek bestond er voor het college geen andere mogelijkheid om objectief vast te stellen of de bijstand rechtmatig werd verleend dan waarnemingen te verrichten. De aard en de inzet van de waarnemingen vormden een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van verzoekster. De resultaten van de waarnemingen, de pogingen een huisbezoek af te leggen, de bevindingen van de Woningcorporatie, de beperkte objectieve aanknopingspunten voor bewoning van het uitkeringsadres, de inconsistenties in de eigen verklaringen en verblijfsoverzichten en de ontbrekende bewijskracht van de verklaringen van de personen in de persoonlijke kring kunnen, in onderlinge samenhang bezien volgens het college, niet leiden tot de conclusie dat voldoende aannemelijk is geworden dat verzoekster in de van belang zijnde periode haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.
Spoedeisend belang
7. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. [2]
7.1.
Verzoekster heeft hierover aangevoerd dat zij al geruime tijd niet meer over een bron van inkomsten beschikt om in het dagelijks levensonderhoud te kunnen voorzien waardoor er sprake is van een toenemende schuldensituatie. Het kan nog weken duren voordat het college op dit bezwaar heeft beslist, terwijl de klemmende financiële situatie van verzoekster geen ruimte biedt voor deze doorlooptijd en noopt tot snelle duidelijkheid omtrent het recht op uitkering van verzoekster. De voorzieningenrechter neemt de vereiste spoedeisendheid aan.
Voorlopige beoordeling rechtmatigheid
8. De te beoordelen periode loopt van 5 maart 2026 (datum melding) tot en met
28 mei 2026 (datum bestreden besluit).
9. De voorzieningenrechter stelt bij haar beoordeling voorop dat het gaat om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.
10. Op iemand die bijstand aanvraagt zijn vanaf het moment dat hij zich heeft gemeld voor de aanvraag de inlichtingenverplichting en de medewerkingsverplichting van artikel 17, eerste en tweede lid, van de PW van toepassing. Als het college aannemelijk maakt dat een aanvrager de inlichtingen- of medewerkingsverplichting heeft geschonden, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag als daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Is de inlichtingenverplichting geschonden?
10. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft een betrokkene zijn woonplaats, daar waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. De aard van de relatie van betrokkenen en hun subjectieve beleving blijven voor de toepassing van de Pw buiten beschouwing. [3]
11. Om de feitelijke woonsituatie te beoordelen moet worden gekeken naar de concrete feiten en omstandigheden. Dat verzoekster in de Basisregistratie personen staat ingeschreven op het opgegeven adres, is niet doorslaggevend. Doorslaggevend is de plek waar verzoekster het zwaartepunt van haar persoonlijk leven heeft.
12. Het college heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk gemaakt dat verzoekster in de te beoordelen periode niet haar hoofdverblijf had op het inschrijfadres. Er is door het college uitvoerig onderzoek verricht naar de woon- en leefsituatie van verzoekster. De door verzoekster overgelegde overzichten met de door haar opgegeven data waarop zij aanwezig zou zijn op het inschrijfadres komen niet overeen met de onderzoeksresultaten van de Sociale Recherche. Op de door verzoekster opgegeven
momenten is verzoekster niet aangetroffen bij controles door de Sociale Recherche of de Woningcorporatie. In totaal is er 17 keer geprobeerd om een huisbezoek te doen door de Sociale Recherche en 8 keer door de Woningcorporatie. Het feit dat verzoekster op uiteenlopende tijdstippen in de ochtend, middag en avond, steeds niet in of bij de woning is aangetroffen heeft verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet kunnen verklaren. De door verzoekster gegeven verklaring dat zij wegens psychische klachten veel in de woning, in het donker, op de bank verbleef met haar laptop en daarom niet zichtbaar was, onderbouwt haar verklaring dat zij wel in haar woning verbleef niet. Ook de toelichting op zitting dat ze de bel niet heeft gehoord of dat ze niet open durfde te doen, omdat ze niet wist wie voor haar deur stond en ze zich dan onveilig voelde, kan niet tot een ander oordeel leiden. Ook met haar verklaring dat zij dacht dat de sociaal rechercheurs haar zouden bellen voor een huisbezoek, heeft zij geen goede reden gegeven waarom het tot 17 keer toe niet is gelukt om een huisbezoek te verrichten. En eigenlijk tot 25 keer, als de pogingen door de Woningcorporatie worden meegeteld.
Over de werkwijze van de pogingen tot huisbezoek heeft de sociaal rechercheur op de zitting toegelicht dat ze beneden bij de intercom bij de centrale ingang aanbellen en dat verzoekster vanuit haar woning via het raam in de woonkamer en keuken zicht heeft op deze ingang. Vervolgens bellen ze aan en kloppen op de voordeur. Er hangt een kijkgaatje op de voordeur waar verzoekster doorheen kan kijken, ze kan de sociaal rechercheur dan herkennen, ook kan ze hen altijd vragen om zich te legitimeren. Ook de bevindingen tijdens de waarnemingen vormen naar het oordeel van de voorzieningenrechter een relevante aanwijzing dat verzoekster in de onderzoeksperiode niet haar hoofdverblijf had op het inschrijfadres. Het betoog van verzoekster dat ze wel in de woning aanwezig was en dat de ramen af en toe op een andere stand open staan, de gordijnen wisselend open of dicht zijn, de was opgehangen is, kunnen evenmin tot een ander oordeel leiden. Op zichzelf geeft dit wel een beeld over het gebruik van een woning, maar in het licht van de andere waarnemingen en onderzoeksbevindingen acht de voorzieningenrechter dit onvoldoende om daaruit af te kunnen leiden dat sprake is van een structureel en bestendig verblijf in de woning door verzoekster, laat staan dat daarmee het feitelijk hoofdverblijf wordt aangetoond.
12.1.
Het college heeft daarnaast terecht in het onderzoek betrokken dat er bij het waterverbruik een duidelijk onderscheid is tussen de periode vóór en na 14 april 2026. Hoewel het waterverbruik na 14 april 2026 overeenkomt met de aanwezigheid van twee personen merkt het college terecht op dat dit in schril contrast staat met het feit dat verzoekster en haar dochter tijdens waarnemingen vrijwel niet zijn gezien. Ook blijkt uit het waterverbruik van verzoekster dat in de periode van 14 tot 17 april 2026 een piekverbruik is van 1.022 m3. Het is aan verzoekster om daar een aannemelijke verklaring voor te geven. De stelling van verzoekster dat ze het niet weet, dat ze toen misschien veel gedoucht heeft, komt niet overeen met de eerdere verklaringen van verzoekster ten aanzien van het waterverbruik. De verklaringen van twee buurtbewoners dat ze haar soms weken niet zien of maar heel af en toe zijn niet doorslaggevend, maar vormen wel een aanwijzing dat verzoekster in de onderzoeksperiode niet haar hoofdverblijf had op het inschrijfadres. De door verzoekster overgelegde getuigenverklaringen van (voormalige) familieleden en personen uit haar directe persoonlijke kring kunnen niet tot een ander oordeel leiden, nu deze verklaring van geringe objectieve waarde zijn en niet worden ondersteund door verifieerbare gegevens.
13. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de PW moest verzoekster aan het college mededeling doen van het niet hebben van het hoofdverblijf op het inschrijfadres. Door dat niet te doen, heeft zij de inlichtingenverplichting geschonden.
Is er sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op het privéleven?
14. Het doen van een onderzoek als bedoeld in artikel 53a van de Pw kan worden aangemerkt als het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daaronder valt namelijk ook het tegengaan en bestrijden van misbruik en fraude bij sociale uitkeringen. De waarnemingen die in het kader van dit onderzoek zijn gedaan dienen daarom een gerechtvaardigd doel in de zin van die bepaling. De inbreuk die het dagelijks bestuur met de waarnemingen op het recht op privacy van verzoekster heeft gemaakt, was niet onevenredig zwaar in verhouding tot het hiervoor beschreven doel. De waarnemingen waren voor het merendeel kortdurend en vonden plaats vanaf de openbare weg. Er zijn geen technische hulpmiddelen gebruikt bij de waarnemingen. De sociaal rechercheur heeft op de zitting voldoende gemotiveerd waarom soms een waarneming van wat langere duur heeft plaatsgevonden en waarom verzoekster één maal is gevolgd om te kijken of ze naar haar ex-partner zou gaan. Het college kon geen gebruik maken van een minder ingrijpend onderzoeksmiddel om het hoofdverblijf van verzoekster te controleren.
14.1.
De waarnemingen voldeden daarom aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat de daarmee gemaakte inbreuk op het recht op privacy van verzoekster gerechtvaardigd was. De grond van verzoekster slaagt daarom niet en er bestaat geen aanleiding de bevindingen van de waarnemingen buiten beschouwing te laten bij de beoordeling. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter houdt het bestreden besluit van het college stand.
Nieuwe aanvraag
15. Op de zitting is naar voren gebracht dat door verzoekster op 8 juli 2026 een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering is ingediend, waarna door het college opnieuw onderzoek wordt gedaan. Het college heeft toegelicht dat de dag voor de zitting de stukken pas zijn ingediend en dat het onderzoek naar het hoofdverblijf van verzoekster nog moet starten.
15.1.
Hoewel de situatie van verzoekster en haar betoog dat ze een veilige plek voor haar dochter nodig heeft invoelbaar is, beschikt de voorzieningenrechter nu niet over aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. Op basis van de onderzoeksbevindingen kan de voorzieningenrechter niet anders dan concluderen dat verzoekster momenteel niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het recht van verzoekster op een bijstandsuitkering met ingang van 12 maart 2026, althans met onmiddellijke ingang, herleeft of dat er een voorschot wordt verstrekt, wijst de voorzieningenrechter daarom af.

Conclusie en gevolgen

16. De conclusie is dat het college de bijstandsuitkering van verzoekster terecht heeft afgewezen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.K.M. Bohnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
De griffier is verhinderdde uitspraak te ondertekenen
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 15 juli 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Uitspraak van Rechtbank Limburg van 22 van mei 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:512.
2.Dit staat in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 21 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3241 en van 15 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3231.