Werkneemster trad in maart 2014 in dienst bij werkgever en beëindigde de arbeidsovereenkomst in juli 2023 via een vaststellingsovereenkomst. Partijen spraken af dat werkgever uiterlijk eind 2023 een beëindigingsvergoeding en eindafrekening zou betalen. Werkneemster ontving slechts een deel van het loon over april 2023 en sommeerde werkgever meerdere keren tot betaling.
Na ruim anderhalf jaar vordert werkneemster in kort geding betaling van de resterende bedragen, wettelijke rente, wettelijke verhoging over loonbestanddelen, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Werkgever erkent de hoofdsommen maar betwist het spoedeisend belang en de wettelijke verhoging.
De kantonrechter oordeelt dat loonvorderingen van nature spoedeisend zijn en dat werkneemster aannemelijk heeft gemaakt dat uitblijven van betaling haar financiële situatie schaadt en dat werkgever mogelijk failliet gaat. Het tijdsverloop doet hieraan niet af. De hoofdsommen, wettelijke rente vanaf 1 januari 2024, wettelijke verhoging over loonbestanddelen, buitengerechtelijke kosten en proceskosten worden toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.