Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 november 2013 in de zaak tussen
de Stichting Cumulus in liquidatie, te Utrecht,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
Procesverloop
1 januari 2013 worden beëindigd. Tegen de hen betreffende mededelingen hebben eiseressen bezwaar gemaakt.
1 augustus 2013 als einddatum van de subsidiëring zal gelden.
Overwegingen
31 december 2012. De in beroep bestreden besluiten zijn namelijk bekendgemaakt voor
1 januari 2013.
– te weten eiseressen – die op verschillende gebieden structurele dienstverlening boden en gezamenlijk de hele stad bestreken, maar wordt dit vanaf 1 januari 2013 anders georganiseerd. Het doel daarvan is het creëren van flexibiliteit en financiële ruimte voor andere innovatieve aanbieders. De in de uitvoeringsnota Vernieuwend Welzijn (de uitvoeringsnota) geformuleerde twee nieuwe kerntaken van het welzijnswerk, sociaal makelaarschap en individuele ondersteuning, zullen volgens verweerder vanaf 2013 los van elkaar worden aangeboden. Ook heeft de gemeenteraad besloten deze doelen met minder financiële middelen te bereiken.
(ECLI:NL:RVS:2008:BC7627), is voor toepassing van de in dit artikel neergelegde bevoegdheid naast de grondslag dat sprake is van gewijzigde inzichten en omstandigheden geen nadere grondslag vereist. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook op het standpunt mogen stellen dat voor de weigering subsidie te verstrekken voor een nieuw tijdvak op grond van artikel 4:51 van Pro de Awb geen beleidsplan in de zin van artikel 3 van Pro de Wmo nodig is. Het betoog van eiseressen dat verweerder de uitvoeringsnota aan hen had moeten voorleggen voor een advies in de zin van artikel 12 van Pro de Wmo, dat het beleidsplan niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en dat het niet aan belanghebbenden is voorgelegd, slaagt al om die reden niet.Met zijn toelichting dat het welzijnswerk met ingang van 1 januari 2013 anders zou worden georganiseerd en ingericht en dat daarvoor minder financiële middelen beschikbaar zouden zijn, heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat ten tijde van de bestreden besluiten sprake was van gewijzigde inzichten en omstandigheden. In zoverre slagen de beroepen niet.
a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende treffen, en
b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.
1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 0,25). De proceskosten in bezwaar komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu de primaire besluiten niet worden herroepen. Wat betreft de toe te passen wegingsfactor stelt de rechtbank vast dat niet een door eiseressen aangevoerde beroepsgrond, maar een ambtshalve beoordeling van de rechtbank ertoe heeft geleid dat het beroep gegrond wordt verklaard. Nu de rechtbank zonder dat beroep dat ambtshalve oordeel niet had gegeven, acht de rechtbank een wegingsfactor van 0,25 aangewezen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de bestreden besluiten;
mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse, leden, in aanwezigheid van mr. M.J.A. Colijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2013.
de uitspraak te ondertekenen)