Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.DE TENLASTELEGGING
3.DE VOORVRAGEN
13.BESLISSING
de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolgingvan verdachte.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 28 februari 2014 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het bezit en verspreiden van een groot aantal kinderpornografische afbeeldingen en films. De verdenking betrof een periode van juli 2006 tot oktober 2007. Na een doorzoeking in oktober 2007 werden gegevensdragers met kinderporno in beslag genomen.
De kern van het geschil betrof de overschrijding van de redelijke termijn tussen het begin van het strafrechtelijk onderzoek (de doorzoeking) en de feitelijke vervolging, die pas in februari 2014 aanving. De verdediging stelde dat deze termijn van ruim 6 jaar onaanvaardbaar was en verzocht om niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.
De rechtbank overwoog dat verdachte vanaf de doorzoeking op de hoogte was dat vervolging te verwachten was, waardoor de redelijke termijn begon te lopen op 31 oktober 2007. Gezien het lange tijdsverloop zonder noemenswaardige onderzoeksactiviteiten en het ontbreken van een gegronde reden voor deze vertraging, oordeelde de rechtbank dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
De rechtbank verbeterde enkele kennelijke schrijffouten in de tenlastelegging zonder dat dit de verdediging schaadde en verklaarde de dagvaarding deels nietig wegens onvoldoende specificatie van een groot deel van de afbeeldingen. De rechtbank was bevoegd kennis te nemen van de zaak en wees de vordering van de officier van justitie af wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim 6 jaar tussen doorzoeking en feitelijke vervolging.