ECLI:NL:RBMNE:2015:2390
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens faillissementsfraude
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 8 april 2015 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder veroordeeld was voor faillissementsfraude. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een ontnemingsbedrag van €202.958,94, later gewijzigd naar €123.830,- en subsidiair €28.830,-. De verdediging stelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts €3.780,- bedroeg en dat de betalingsverplichting op nihil gesteld moest worden vanwege hoge advocatenkosten.
Tijdens de zittingen werden diverse bewijsmiddelen en verklaringen besproken, waaronder het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 9 januari 2015. De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde goederen en geldbedragen van de failliete boedel had onttrokken en verkocht, waaronder handelsvoorraad, bedrijfsauto's en overgeboekte bedragen. De waarde van de handelsvoorraad werd vastgesteld op €10.000,-, de bedrijfsauto's op respectievelijk €8.330,- en €5.950,-, en de overgeboekte bedragen op €27.150,-.
De rechtbank bracht kosten in mindering, waaronder een vergoeding aan een medeverdachte (€3.500,-), notariskosten (€1.600,-) en teruggestorte bedragen aan de curator (€37.500,-). Andere door de verdediging genoemde kosten, zoals advocatenkosten en afkoop van een auto, werden niet in mindering gebracht omdat deze niet direct verband hielden met het delict of onvoldoende waren onderbouwd.
Uiteindelijk stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €8.830,- en legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €8.830,- aan de Staat als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.