De rechtbank Midden-Nederland heeft op 7 december 2015 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een rechtspersoon die betrokken was bij het witwassen van gelden afkomstig uit oplichting met obligatiefondsen gericht op Duits vastgoed.
De zaak betrof het witwassen van een totaalbedrag van €2.392.905,- in de periode van 29 april 2013 tot en met 21 januari 2014. De rechtbank achtte bewezen dat de rechtspersoon, als onderdeel van een constructie met meerdere vennootschappen en personen, medepleger was van gewoontewitwassen. Dit hield in dat gelden die door beleggers onder valse voorwendselen waren geïnvesteerd, via een stichting en exploitatiemaatschappij werden omgezet en overgeboekt, waarbij de herkomst werd verborgen.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van witwassen van vastgoed te Alsdorf, omdat dit nooit eigendom was geweest van de verdachte. Gezien het faillissement van de rechtspersoon sinds 31 maart 2015, vond de rechtbank het niet passend om een geldboete op te leggen, omdat dit ten koste zou gaan van de boedel en daarmee de gedupeerde beleggers zou benadelen. Daarom werd volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging.
De rechtbank baseerde haar oordeel op de artikelen 9a, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en verwierp het bestaan van strafuitsluitingsgronden. De uitspraak benadrukt de ernst van witwassen als bedreiging voor de integriteit van het financiële verkeer en de legale economie.