In deze zaak werd een rechtspersoon verdacht van medeplegen van gewoontewitwassen door het witwassen van €1.877.105,- afkomstig uit oplichting met obligatiefondsen gericht op Duits vastgoed. De rechtbank oordeelde dat beleggers door valse voorwendselen waren bewogen geld te investeren, dat via een stichting en exploitatiemaatschappijen werd omgezet en witgewassen.
De rechtbank stelde vast dat de verdachte onderdeel was van een constructie waarbij gelden van beleggers werden aangetrokken en vervolgens werden omgezet en overgeboekt om de criminele herkomst te verhullen. De bewezenverklaring betrof de periode van 14 augustus 2012 tot en met 21 januari 2014.
Hoewel het bewezen feit de oplegging van een straf rechtvaardigde, werd geen geldboete opgelegd vanwege het faillissement van de verdachte rechtspersoon. Dit om te voorkomen dat de boete ten koste zou gaan van de boedel en daarmee de belangen van de gedupeerde beleggers zou schaden. De rechtbank sprak de verdachte schuldig zonder strafoplegging.
De strafbaarheid werd vastgesteld op grond van medeplegen van gewoontewitwassen, waarbij de rechtbank ook het blanco strafblad van de verdachte en de omstandigheden van de zaak meewoog. De beslissing is genomen op basis van artikelen 9a, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.