Uitspraak
200807294/1/H2overweegt de Afdeling dat de vereniging door het optreden in rechte in dit geval een bundeling van rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken individuele belangen tot stand brengt waarmee effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn, in vergelijking met het afzonderlijke optreden van een groot aantal individuele natuurlijke personen die door het bestreden besluit rechtstreeks in hun belangen worden getroffen. In de door de vereniging tot stand gebrachte bundeling van deze individuele belangen, kunnen de in artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht genoemde feitelijke werkzaamheden besloten worden geacht. Gelet op het vorenstaande is Buurtvereniging Mauritspark belanghebbende bij het bestreden besluit. In zoverre is er geen aanleiding het beroep van Buurtvereniging Mauritspark niet-ontvankelijk te verklaren.
200406607/1, geconcludeerd dat het spoorverkeer op spoor 526 en op een deel van spoor 221, voor zover dit bestaat uit aankomende en vertrekkende treinen, moet worden aangemerkt als doorgaand spoorverkeer, waarvan het geluid niet aan het in werking zijn van de inrichting behoort te worden toegerekend. In het bij de aanvraag om vergunning behorende geluidrapport is enerzijds berekend wat de door de treinbewegingen binnen de inrichting, met uitzondering van de als doorgaand treinverkeer aangemerkte treinbewegingen, veroorzaakte geluidbelasting is. Anderzijds is in dit rapport berekend wat de door het doorgaand treinverkeer veroorzaakte geluidbelasting is.
200300939/1) als regel geformuleerd, dat de door treinverkeer veroorzaakte geluidbelasting niet aan het in werking zijn van de inrichting moet worden toegerekend indien het om doorgaand treinverkeer gaat. Geluid van doorgaand treinverkeer dient, zo luidt de jurisprudentie van de Afdeling, niet bij de behandeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor een emplacement, maar in het kader van toepassing van de bij of krachtens de Wet geluidhinder gestelde regels over spoorweggeluid, te worden beoordeeld.
200601869/1- vaarverkeer).
200307688/1, dat de risico's als gevolg van verkeer van en naar de inrichting niet bij de beoordeling van de vergunningaanvraag behoorden te worden betrokken. Dit standpunt is onjuist. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat een milieuvergunning niet mag worden geweigerd op de grond dat geen ontheffing op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen zou kunnen worden verleend, omdat het al dan niet kunnen verlenen van zo'n ontheffing geen belang is dat in de Wet milieubeheer bescherming heeft gevonden. De Afdeling heeft niet geoordeeld - en in het vervolg van de desbetreffende uitspraak ligt overigens ook het tegendeel besloten - dat de risico's vanwege het aan de inrichting toe te rekenen verkeer van en naar de inrichting niet bij de verlening van de milieuvergunning behoren te worden betrokken.