Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
- [A] ,
- [B] ,
- [C] ,
- [D] ) en
- [E] .
- [bedrijf 3] € 1.087.839,-
- [bedrijf 1] € 19.858,-
- [bedrijf 2] € 23.205,-
via zichzelfwerkzaamheden zouden hebben verricht bij SNSPF. Hoewel de raadsman moet worden toegegeven dat de tenlastelegging op dit punt, letterlijk gelezen, deze mogelijkheid openlaat, kan er geen misverstand over bestaan dat het verwijt juist is dat de betrokken personen zich door een ander hebben laten detacheren, hetgeen mede wordt uitgedrukt door het gebruik steeds van de woorden en/of. Het verweer wordt dus verworpen.
Kamerstukken II1965/66, 8437, nr. 4, p. 7). De huidige Memorie van Toelichting van artikel 328ter Sr betrekt het te beschermen belang -zonder aanpassing van het begrip lasthebber- eveneens op de belangen van de consument, de economische sector en de samenleving als geheel (
Kamerstukken II 2012/13, 33685, nr. 4, p. 14-15).
NJ1991, 318). Zo is bijvoorbeeld voldoende dat de omkoper giften aan de omgekochte doet om zijn zakelijke relatie met de werkgever van de omgekochte in stand te houden of te verbeteren terwijl de omgekochte daarop invloed had en dit moet hebben begrepen (HR 16 januari 1990,
DD90.197).
De rechtbank neemt met name in aanmerking dat [verdachte] in eerste instantie verklaart dat slechts een deel van de betaling betrekking had op de coaching, terwijl [D] verklaart dat de gehele betaling hierop betrekking had. De latere verklaringen van [verdachte] , die meer in overeenstemming zijn met de verklaringen die door [D] zijn afgelegd, acht de rechtbank niet betrouwbaar. Zo heeft [verdachte] ter terechtzitting verklaard dat de betalingen zagen op de coaching die hij gaf. In het geval dat [D] meer betaalde dan waarvoor zij daadwerkelijk was gecoacht, was volgens [verdachte] sprake van een gunfactor. Deze verklaring wijkt echter sterk af van zowel zijn eerdere verklaringen als de schriftelijke verklaring die [verdachte] op 21 maart 2013 samen met zijn raadsman heeft opgesteld. In die laatste verklaring noemt [verdachte] twee redenen waarom [D] aan [verdachte] betaalde: kickback en advies. De rechtbank vindt het opvallend dat de verklaringen van [verdachte] sinds de opheffing van zijn beperkingen en zijn invrijheidstelling zo sterk zijn gewijzigd en veel meer overeenkomsten vertonen met de verklaringen die door [D] zijn afgelegd. De rechtbank kan aan geen van deze verklaringen dan ook een doorslaggevende betekenis toekennen.
Over de aard van de coaching verklaart [D] dat deze betrekking had op allerlei vlakken. Er stond volgens [D] geen vast aantal uren tegenover. De afspraak dat [verdachte] haar zou coachen en dat zij hem daarvoor zou betalen, is ook niet schriftelijk vastgelegd. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat de advieswerkzaamheden waarover wordt verklaard onvoldoende concreet zijn om als declarabele werkzaamheden te kunnen worden aangemerkt.
Ook gelet op het totale bedrag dat door [D] aan [verdachte] is betaald, namelijk ruim € 134.000,-, is niet aannemelijk dat dit betrekking had op de genoemde werkzaamheden. Dit geldt temeer wanneer gelet wordt op het uurtarief dat [D] declareerde voor de werkzaamheden die zij verrichtte voor de vennootschappen van [verdachte] , van rond de € 50,-.
Ten slotte is door [verdachte] en [D] geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat de vergoeding die [D] betaalde niet was gekoppeld aan de duur van de coaching die zij kreeg, maar aan de uren die zij werkte voor SNSPF.
€ 45.000,- (exclusief btw). [E] heeft ook verklaard dat er geen concrete afspraken waren, er geen sprake was van een uitgebreid advies, maar dat er in de gesprekken die hij met [verdachte] had ook een stukje coaching als component zat. Voor zover al sprake was van advisering, acht de rechtbank gelet op al deze omstandigheden dit advies zo marginaal dat niet kan worden gesproken van declarabel advies. De rechtbank beoordeelt het gehele bedrag dat door [E] is betaald dan ook als betrekking hebbend op enerzijds het feit dat [E] door [verdachte] is gaan werken bij SNSPF en anderzijds op het in stand houden van een goede relatie met [verdachte] . Ook bij [E] en [verdachte] was sprake van een hiërarchische relatie. [E] heeft bij zijn aanstelling het uurtarief besproken met [verdachte] en [verdachte] heeft uiteindelijk zijn uurtarief vastgesteld. De afdracht van [E] aan [verdachte] kan daarom niet als (geheel) vrijwillig worden gezien. [verdachte] heeft met zijn verzoek bewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat [E] hiermee in zou stemmen om de onderlinge relatie goed te houden.
De rechtbank neemt het volgende in aanmerking. [C] heeft steeds verklaard dat alle betalingen aan [verdachte] zagen op de ereschuld. [verdachte] zegt echter in zijn eerste verklaringen bij de FIOD dat de betalingen van [C] aan hem tweeledig waren. Een deel van de betalingen van [C] zag volgens [verdachte] op nivellering. In de schriftelijke verklaring van [verdachte] van 21 maart 2013 die hij samen met zijn raadsman heeft opgesteld, verklaart hij dat [C] hem ook betaalde omdat hij via hem bij SNSPF is komen werken. Pas na zijn invrijheidstelling -en nadat hij kennis heeft kunnen nemen van onder meer de verklaringen van [C] - verklaart [verdachte] dat de betalingen van [C] geheel zagen op de ereschuld die tussen hen bestond. Vanaf dat moment komen de verklaringen van [verdachte] beter overeen met de verklaringen van [C] .
De ereschuld is volgens [verdachte] en [C] ontstaan uit de werkzaamheden en de kapitaalsplaatsing die [verdachte] heeft verricht voor een voormalig bedrijf van [C] : iLocal. De rechtbank vindt het opmerkelijk dat van deze ereschuld niets schriftelijk is vastgelegd. Niet alleen vanwege de hoogte van het bedrag dat [C] aan [verdachte] verschuldigd zou zijn, maar ook gelet op de concrete werkzaamheden die ten grondslag zouden liggen aan deze schuld. Dit is nog opmerkelijker nu [verdachte] en [C] beiden verschillend verklaren over de hoogte van de schuld. Op enig moment is [C] , volgens beider verklaringen, begonnen met het afbetalen van de schuld, maar tussen [verdachte] en [C] is niet afgesproken welk bedrag zou worden afbetaald en hoelang [C] door zou moeten gaan met het afbetalen van de schuld.
zijngoede trouw, maar
degoede trouw is doorslaggevend. Deze strenge eis noodzaakt de ondergeschikte om, in geval van twijfel aan de toelaatbaarheid van de gift of belofte, zijn principaal te raadplegen (
Kamerstukken II1966/67, 8437, nr. 6, p. 3). Daarnaast blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de goede trouw is toegevoegd om onbeduidende en min of meer gebruikelijke fooien of relatiegeschenken en buitenlandse handelsgebruiken buiten het bereik van deze strafbepaling te laten vallen (
Kamerstukken II1965/66, 8437, nr. 4, p. 15-16).
5.Bewezenverklaring
- niveau 1: feit 2 (passieve niet-ambtelijke omkoping), feit 3 (valsheid in geschrift) en feit 4 (gewoontewitwassen);
- niveau 2: feit 7 (passieve niet-ambtelijke omkoping), feit 8 (valsheid in geschrift), feit 9 (gewoontewitwassen) en feit 10 (criminele organisatie) wettig en overtuigend bewezen.
6.De strafbaarheid van de feiten
7.De strafbaarheid van verdachte
8.Motivering van de straffen en maatregelen
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
18 maanden.
6 maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast op grond dat de verdachte zich voor het einde van de hierbij bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.