Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2016 in de zaken tussen
Koninklijke Nederlandsche Automobiel Club(KNAC), te ’s-Gravenhage
Vereniging Milieudefensie(Milieudefensie), te Amsterdam
Procesverloop
dr. [Y] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die werd vergezeld van drs. [A] , mr. [B] , drs. [C] en
[D] , allen werkzaam bij de gemeente Utrecht, en ir. [E] , werkzaam bij TNO.
[L] .
Overwegingen
In de bezwaarfase is het college tot de conclusie gekomen dat het in het primaire besluit genoemde verkeersbord C6 ter vaststelling van een milieuzone moest worden aangevuld met een onderbord; dit onderbord vermeldt voor welke motorvoertuigen de milieuzone geldt. De rechtbank stelt vast dat in de discussie en de stukken op grond waarvan het primaire besluit is genomen, steeds is verwezen naar bestelwagens en personenauto’s van een bepaalde Euroklasse, met als datum van eerste toelating voor benzine tot en met 1993 (Euroklasse 0) en voor diesel tot en met 2000 (Euroklasse 2) of tot en met 2004 (Euroklasse 3). Door de toevoeging van het betreffende onderbord in de bezwaarfase is de omvang van de werking van de milieuzone nader gepreciseerd en beperkt tot motorvoertuigen op diesel van vóór 1 januari 2001. Deze precisering moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als het resultaat van de heroverweging van het primaire besluit door verweerder en niet als een nieuw (primair) besluit. Het primaire besluit strekte immers al tot het invoeren van een milieuzone, de overwegingen daarvoor of de grondslag ervan zijn bij het bestreden besluit niet gewijzigd. Het onderbord is verder niet een reactie op een van de bezwaren van SSLU. Voor gehoudenheid van het college tot vergoeding van door SSLU in bezwaar gemaakte kosten is dan ook geen reden.
Anders dan KNAC betoogt, is de groep van mensen die door het instellen van de milieuzone wordt geraakt in het bestreden besluit kleiner geworden. De rechtbank volgt KNAC dan ook niet in haar stelling dat het bestreden besluit nu relevant is voor een grotere groep van personen.
- onder andere - geslotenverklaringen betreffen, kan worden bepaald, dat de door deze borden aangeduide geboden of verboden gelden in een bepaald gebied.
Het te verwachten effect zal dus nog veel minder zijn dan in de gemeentelijke stukken staat vermeld. Daar komt nog bij dat in de in het bestreden besluit opgenomen tabel de effecten voor fijnstof en stikstofdioxide door elkaar zijn gehaald.
KNAC stelt dat uit het bestreden besluit niet valt af te leiden of het inhoudelijk wel correspondeert met de onderliggende stukken en met het uiteindelijk door de raad in oktober 2013 genomen besluit om de milieuzone op deze wijze in te voeren.
In de memo van 1 juli 2013 zijn in tabel 7 de effecten van variant “012” ten opzichte van het oorspronkelijke collegevoorstel (“variant 00”: het weren van Euroklassen 0 tot en met 3 diesel en Euroklasse 0 benzine voor personen- en bestelverkeer), kenbaar gemaakt. In variant “012” worden de dieselpersonenauto’s Euroklasse 3 en de benzinepersonenauto’s Euroklasse 0 niet langer geweerd. Uit de tabel blijkt dat met variant “012” een effect wordt gerealiseerd van
In het verweerschrift en ter zitting heeft het college alsnog gemotiveerd uiteengezet dat de effecten van de milieuzone weliswaar kleiner zijn dan in het bestreden besluit is genoemd, maar dat niettemin sprake is van een verbetering van de luchtkwaliteit. Gelet daarop en gelet op de opdracht van artikel 8:41a van de Awb aan de bestuursrechter om een geschil zo definitief mogelijk te beslechten, zal de rechtbank de overige beroepsgronden van eiseressen eerst beoordelen en dan bepalen welke gevolgen aan het geconstateerde gebrek moeten worden verbonden.
2010:BN7032) dat het vaststellen door het college van een besluit zoals hier in geding een belangenafweging vergt waarbij politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol spelen. Die belangenafweging heeft in dit geval plaatsgevonden in de raad en het verkeersbesluit, zoals bij het bestreden besluit gehandhaafd, is dan ook de uitvoering van de door de raad gemaakte keuze in de afweging van de betrokken belangen. De rechter heeft niet de taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan die betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Hij kan slechts concluderen dat de gemaakte belangenafweging in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, wanneer de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen dat het college niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
De voorkeur voor een andere aanpak van het milieuprobleem, zoals SSLU voorstaat, is in een juridische procedure als deze niet van doorslaggevend belang.