Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
kantonrechter
Rechtbank Midden-Nederland
De werkgever verzocht de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid (b-grond), verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en andere omstandigheden (h-grond). De werknemer was sinds 1982 in dienst en had sinds 2008 meerdere periodes van ziekteverzuim, waaronder een hernia in 2016. Het UWV had een ontslagaanvraag wegens ziekteverzuim afgewezen.
De kantonrechter oordeelde dat het verzoek op de b-grond niet ontvankelijk was omdat de werkgever zich tot het UWV had moeten wenden. De g-grond werd afgewezen omdat er geen sprake was van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding die ontbinding rechtvaardigt. De kantonrechter vond onvoldoende feitelijke onderbouwing dat het ziekteverzuim tot zodanige verstoringen had geleid. Daarnaast was de werkgever zelf verantwoordelijk voor het verergeren van de verhouding door te streven naar beëindiging.
Ook het beroep op de h-grond faalde omdat dit niet bedoeld is om meerdere onvoldoende gronden samen te voegen. Bovendien was herplaatsing onvoldoende onderzocht. Het verzoek tot ontbinding werd daarom afgewezen en de werkgever werd veroordeeld in de proceskosten van de werknemer.
Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid en onvoldoende onderbouwing.