De eiser trad op 25 oktober 2016 in dienst als HR-directeur bij de gedaagde werkgever, met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De eiser is kennismigrant en de werkgever was erkend referent, maar deze erkenning werd op 3 juli 2017 geschorst. De eiser meldde zich op 8 december 2016 ziek en verrichtte sindsdien geen werkzaamheden meer. Vanaf september 2017 betaalde de werkgever het loon niet meer.
De werkgever stelde het loon te hebben opgeschort vanwege vermeende werkweigering en niet meewerken aan re-integratie, en sprak op 30 november 2017 ontslag op staande voet uit. De eiser vorderde in kort geding betaling van het achterstallige loon over september tot en met november 2017, correcte loonspecificaties, en vergoeding van buitengerechtelijke kosten.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet voorlopig als geldig wordt beschouwd, waardoor loonvorderingen na 30 november worden afgewezen. De schorsing van het referentschap leidt niet tot een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst, zodat loonbetaling over de periode tot 30 november verplicht is. De werkgever kon het loon niet opschorten wegens vermeende ziekteverzuimproblemen, omdat dit niet tijdig was gemeld en onvoldoende onderbouwd was. De loonvordering, wettelijke verhoging, rente, loonspecificaties en buitengerechtelijke kosten werden toegewezen. De werkgever werd veroordeeld tot betaling binnen twee dagen na betekening van het vonnis.