Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2018:1489

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2018
Publicatiedatum
16 april 2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3934
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
ParticipatiewetECLI:NL:CRVB:2015:3821ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4079
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs woonachtig op uitkeringsadres

Eiser diende een aanvraag voor bijstand in op grond van de Participatiewet, welke door verweerder werd afgewezen omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij woonachtig was op het opgegeven uitkeringsadres. Na een huisbezoek en onderzoek constateerde verweerder dat er slechts een beperkt aantal persoonlijke bezittingen aanwezig waren en dat de verklaringen van eiser over zijn verblijfplaats wisselend en tegenstrijdig waren.

Eiser voerde aan dat de bevindingen van het huisbezoek verklaarbaar waren door zijn financiële situatie en omstandigheden, en dat hij onder meer zijn administratie en sociale contacten in de woonplaats had. De rechtbank overwoog dat het aan eiser was om aannemelijk te maken dat hij in de bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en dat hij zijn woonadres juist en volledig moest opgeven.

De rechtbank oordeelde dat de onderzoeksbevindingen, waaronder het ontbreken van persoonlijke verzorgingsproducten, het niet aantreffen van de auto op het adres en de wisselende verklaringen van eiser, een toereikende grondslag boden om te twijfelen aan zijn woonplaats. Een belangenafweging was in deze situatie niet aan de orde omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

Ten slotte wees de rechtbank het beroep af en bevestigde de afwijzing van de bijstandsaanvraag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter G.P. Loman op 16 april 2018.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs van woonachtig zijn op het uitkeringsadres.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 17/3934

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [verweerder] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Roos),
en

Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Lammers en mr. J.J. Schreuder).

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.
Bij besluit van 12 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2018. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Het bestreden besluit gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser. Verweerder heeft – samengevat – aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft aan de [adres] in [woonplaats] (uitkeringsadres).
2. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht dat hij woont op het uitkeringsadres. Eiser voert daartoe allereerst aan dat de bevindingen van het huisbezoek door eiser te verklaren zijn. Zo zijn de weinige persoonlijke bezittingen te verklaren uit het feit dat hij geen geld had voor persoonlijke verzorgingsproducten. Over het niet aantreffen van ondergoed en slechts één paar sokken, stelt eiser dat zijn sokken en ondergoed in een kast boven lagen en dat verweerder tijdens het huisbezoek onvoldoende heeft doorgevraagd. De aangetroffen roze, korte pyjamabroek is te verklaren uit het feit dat de kamer eerder toebehoorde aan de dochter van de hoofdbewoner. De koffer in de hal is te verklaren uit het feit dat eiser elders zijn was doet en dat hij nog geen tijd had gehad deze uit te pakken. Ten aanzien van de verrichte waarnemingen voert eiser aan dat onduidelijk is hoe en waar deze waarnemingen hebben plaatsgevonden. Eiser is door het geringe aantal parkeerplekken gedwongen zijn auto verder van huis te parkeren.
Verweerder heeft verder onvoldoende bij zijn standpunt betrokken dat eiser zijn administratie heeft liggen op het uitkeringsadres, hij gehoor heeft gegeven aan de oproepen van verweerder, hij aangesloten is bij de kerk in [woonplaats] en hij in [woonplaats] de huisarts en het ziekenhuis bezoekt. Daarbij heeft eiser in bezwaar verklaringen van buurtbewoners overgelegd.
Voorts stelt eiser dat verweerder geen belangenafweging heeft gemaakt. Eiser bevond zich in een vicieuze cirkel. Er dreigde een huisuitzetting en doordat hij geen geld had mocht niet van hem worden verwacht dat hij op het uitkeringsadres verbleef. Ook heeft verweerder ten onrechte een te laag voorschot verstrekt.
3. De rechtbank overweegt dat de te beoordelen periode loopt van 26 mei 2017 (de datum van de aanvraag) tot en met 12 juli 2017 (de datum van het primaire besluit).
3.1
Nu het een aanvraagsituatie betreft is het aan eiser om aannemelijk te maken dat hij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Daarbij dient hij alle informatie te verstrekken over zijn feitelijke woon- en leefsituatie. Het is vervolgens aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsplicht voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 3 november 2015, (ECLINL:CRVB:2015:3821).
3.2
De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.
4. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag voor het standpunt van verweerder dat er gerede twijfel bestond of eiser in de te beoordelen periode woonachtig was op het door hem opgegeven uitkeringsadres. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
4.1
Uit het huisbezoek is naar voren gekomen dat eiser op het uitkeringsadres slechts een zeer summier aantal persoonlijke bezittingen had liggen. Er zijn geen persoonlijke verzorgingsproducten aangetroffen in de woning en ook geen ondergoed. Daarbij is slechts één paar sokken aangetroffen. De stelling van eiser dat dit te verklaren is uit het feit dat hij geen geld had, heeft verweerder niet hoeven volgen gelet op de door verweerder verstrekte voedselbonnen en het verstrekte voorschot. Over de stelling dat de sokken en ondergoed in de kast boven lagen heeft verweerder terecht overwogen dat het tijdens het huisbezoek aan eiser was om dat bij verweerder te melden. Het betreft immers een aanvraagsituatie. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser tijdens het huisbezoek heeft verklaard dat zijn ondergoed en sokken bij zijn dochter lagen. Verder heeft verweerder opmerkelijk mogen achten dat er een roze, korte pyjamabroek is aangetroffen in de slaapkamer waarvan eiser stelt dat hij daar slaapt en dat de aanwezige kleding van eiser in een koffer op de gang lag. De rechtbank is van oordeel dat met hetgeen eiser daarover in beroep heeft aangevoerd, daarvoor een onvoldoende verklaring is gegeven.
4.2
Voorts is uit de door verweerder verrichte waarnemingen gebleken dat de auto van eiser op vier van de zeventien dagen niet is aangetroffen op het uitkeringsadres. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat de waarnemingen zijn verricht op drie parkeerplaatsen in de buurt van het uitkeringsadres. Volgens verweerder leert de ervaring dat op één plaats altijd plek is. De stelling dat eiser zijn auto verder van huis moest parkeren, biedt dan ook geen verklaring voor het niet aantreffen van de auto van eiser bij het uitkeringsadres. Tot slot is van belang dat eiser tegenstrijdige en wisselende verklaringen heeft afgelegd over de duur van zijn verblijf, maar ook in welke kamer hij verbleef op het uitkeringsadres. Tijdens het gesprek op 4 mei 2017 stelt eiser dat hij twee tot drie nachten per week op de bank op het uitkeringsadres slaapt. Tijdens het gesprek op 1 juni 2017 stelt eiser dat hij elke nacht op het uitkeringsadres heeft geslapen en dat het de bedoeling is dat hij de kamer van de dochter krijgt. Tijdens gesprek op 26 juni 2017 stelt eiser dat hij niet weet hoe vaak hij op het uitkeringsadres heeft geslapen. Tijdens het gesprek op 10 juli 2017 stelt eiser dat hij misschien acht keer op de kamer van de hoofdbewoonster (en dus niet de kamer van de dochter) heeft geslapen.
4.3
In de door eiser aangevoerde omstandigheden over de administratie, zijn lidmaatschap van de kerk, dat hij de huisarts en het ziekenhuis in [woonplaats] bezoekt en de overgelegde verklaringen van buurtbewoners, is - met name gelet op de bevindingen tijdens het
huisbezoek - onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode op het uitkeringsadres verbleef.
5. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 maart 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4079), van oordeel dat van een belangenafweging in een situatie als de onderhavige, waarbij door onvoldoende informatie van de aanvrager het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld geen sprake kan zijn.
6. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat verweerder een te laag voorschot heeft verstrekt.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit geen betrekking heeft op (de hoogte van) het verleende voorschot. Wat eiser hierover heeft aangevoerd gaat derhalve de grenzen van het geschil te buiten. Daarom laat de rechtbank dit onbesproken.
7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de bijstandsaanvraag terecht heeft afgewezen.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G.C. Bulten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.