Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2018 in de zaak tussen
[eiser] (eiser) te [woonplaats] , samen te noemen eisers
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres ontving bijstand als alleenstaande ouder en woonde vanaf 30 mei 2017 samen met eiser zonder dit tijdig te melden aan WIL, wat een schending van de inlichtingenplicht volgens artikel 17 Participatiewet Pro opleverde. WIL trok daarom de bijstand over de periode 30 mei 2017 tot 2 oktober 2017 in en beëindigde deze.
Eisers dienden een aanvraag gezinsbijstand in, maar deze werd afgewezen omdat onduidelijk was hoe eiser in de periode 1 januari tot 30 mei 2017 in zijn levensonderhoud voorzag. De rechtbank oordeelde dat de ingediende verklaringen niet objectief waren en dat eisers onvoldoende bewijs leverden om het recht op bijstand aan te tonen.
De rechtbank stelde vast dat bijstand in principe pas ingaat vanaf de aanvraagdatum, tenzij sprake is van een bijzondere situatie, wat hier niet werd aangenomen. WIL kende bijstand toe vanaf 6 oktober 2017 naar de gehuwdennorm en wees eisers op hun arbeidsverplichtingen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en WIL werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de inlichtingenplicht en de noodzaak van objectief bewijs bij aanvragen voor bijstand.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging, intrekking en afwijzing van bijstand door WIL.