ECLI:NL:CRVB:2016:4743
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand en matiging boete wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand als alleenstaande, maar uit onderzoek bleek dat hij vanaf eind 2012 een gezamenlijke huishouding voerde met een medebewoner zonder dit te melden aan het college. Het college trok de bijstand in en vorderde de onterecht ontvangen bedragen terug. Tevens werd een boete opgelegd wegens het opzettelijk schenden van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond en matigde de boete tot de helft van het benadelingsbedrag. Appellant ging in hoger beroep tegen beide uitspraken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg, dat appellant zijn meldingsplicht had geschonden en dat het college terecht de bijstand introk en terugvorderde.
De Raad stelde vast dat er geen sprake was van opzet maar van gewone verwijtbaarheid, waardoor de boete moest worden gematigd tot een bedrag dat appellant binnen twaalf maanden bij een bijstandsinkomen kon voldoen. De boete werd vastgesteld op 1.675 euro. De Raad bevestigde de intrekking en terugvordering, vernietigde het eerdere boetebesluit en legde de lagere boete op. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant voor het hoger beroep tegen de boete.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd en de boete wordt gematigd tot € 1.675,- wegens normale verwijtbaarheid en draagkracht.