ECLI:NL:RBMNE:2018:4238

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 juli 2018
Publicatiedatum
4 september 2018
Zaaknummer
UTR 18/378
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zakenECLI:NL:HR:2015:1818
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling WOZ-waarde kinderdagverblijf en marktsituatie

Eiseres, huurder van een kinderdagverblijf, betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van het pand voor het belastingjaar 2017, omdat zij meent dat de waarde te hoog is vastgesteld gezien de marktsituatie en lage bezettingsgraad. Verweerder had de waarde bepaald op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde, een methode die tussen partijen niet ter discussie stond.

Eiseres stelde dat door overheidsmaatregelen en economische omstandigheden de bezettingsgraad van het kinderdagverblijf in 2016 fors was gedaald, wat een economische correctie van 56,3% rechtvaardigt. Verweerder betwistte dit en stelde dat er geen reden was voor een functionele correctie, mede omdat eiseres haar stellingen onvoldoende met stukken onderbouwde.

De rechtbank oordeelde dat de waarde moet worden bepaald vanuit het perspectief van de eigenaar en niet de feitelijke gebruikssituatie door de huurder. Het pand heeft een brede maatschappelijke bestemming, waardoor de lage bezettingsgraad van het kinderdagverblijf geen invloed heeft op de waarde. Daarnaast heeft eiseres geen bewijs geleverd voor overcapaciteit of functionele veroudering. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van het kinderdagverblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/378

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 juli 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: A. van den Dool),
en
De heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht,verweerder
(gemachtigde: mr. M.F.M. Boerlage).

Procesverloop

Bij beschikking van 31 januari 2017 (de primaire beschikking) heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van het pand [adres] te [vestigingsplaats] voor het belastingjaar 2017 vastgesteld op € 721.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2016.
Bij uitspraak op bezwaar van 12 december 2017 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar tegen de primaire beschikking ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift en taxatierapport ingediend.
Het beroep is op de zitting van 28 mei 2018 gevoegd behandeld met de beroepen met
zaaknummers UTR 17/1286, UTR 17/1282, UTR 17/1280, UTR 18/380, UTR 17/1448,
UTR 18/377 en UTR 17/1484. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder
heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [A] en
[B] , taxateurs.

Overwegingen

1. Het pand betreft een rondom 2009 gebouwd kinderdagverblijf met een gebruiksoppervlakte van 668 m². Eiseres is huurder van het pand.
2. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor beide belastingjaren de waarde van het pand heeft bepaald aan de hand van de gecorrigeerde vervangingswaarde. Het gebruik van deze methode is tussen partijen niet in geschil.
3. Eiseres voert aan dat de woz-waarde te hoog is vastgesteld. Volgens eiseres heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de marktsituatie van kinderdagverblijven. Door overheidsmaatregelen en door de economische crisis zijn ouders gebruik gaan maken van alternatieve vormen van kinderopvang. Hierdoor heeft eiseres te maken met forse overcapaciteit en een lage bezettingsgraad. De bezettingsgraad bedroeg volgens eiseres in 2016 gemiddeld 43,7% (BSO 17,9% en KDV 51,7%), waardoor een economische correctie van 56,3% toegepast dient te worden. Eiseres stelt dat de woz-waarde niet hoger kan zijn dan € 386.000,-.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er gezien de gebruiksmogelijkheden van het pand geen reden is voor een verdergaande functionele correctie. Verweerder wijst er verder op dat eiseres haar stelling over de lagere bezettingsgraad niet onderbouwt aan de hand van stukken.
5.1
De rechtbank stelt voorop dat bij functionele afschrijving in het kader van de gecorrigeerde vervangingswaarde moet worden uitgegaan van de waarde die de onroerende zaak voor de eigenaar heeft. Dat het object door een huurder feitelijk voor een ander doel gebruikt wordt, kan niet van invloed zijn bij de vaststelling van de waarde van het object.
6.2
Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel [adres] in het geldende bestemmingsplan “[bestemmingsplan]” de bestemming ‘Maatschappelijk” heeft. Dat betekent dat het pand bestemd is voor maatschappelijke voorzieningen zoals voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, religie, onderwijs, kinderopvang, buitenschoolse opvang, openbare orde en veiligheid en daarmee gelijk te stellen sectoren. Dat eiseres het pand feitelijk in gebruik heeft als kinderdagverblijf, doet niet af aan de brede bestemming van het pand en daarmee de waarde die het object voor de eigenaar heeft. De gestelde lage bezettingsgraad van het kinderdagverblijf heeft dan ook geen invloed op de door verweerder vastgestelde waarde van het pand. De rechtbank overweegt bovendien dat het aan eiseres is om, indien zij een beroep doet op toepasselijkheid van een correctie voor functionele veroudering, dit te onderbouwen. De rechtbank verwijst hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1818. In dit geval heeft eiseres geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van overcapaciteit en een lage bezettingsgraad bij het kinderdagverblijf of op een andere manier haar stelling onderbouwd. Eiseres heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat sprake zou moeten zijn van een lagere waarde. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzitter, en mr. N.M. Spelt en
mr. G.C.W. van der Feltz, leden, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.