De zaak betreft de vraag of tussen verzoekster en Splendid Care sprake was van een arbeidsovereenkomst of een BPV-stageovereenkomst. Verzoekster werkte sinds 2010 bij Splendid Care en volgde vanaf 2015 een opleiding verzorgende IG, waarbij zij werkzaamheden verrichtte. Splendid Care beëindigde de overeenkomst na uitschrijving van verzoekster bij het ROC, stellende dat de BPV-overeenkomst daarmee was geëindigd.
De kantonrechter stelt vast dat de feitelijke uitvoering van de overeenkomst wijst op een arbeidsovereenkomst: verzoekster verrichtte zelfstandige werkzaamheden, werd ingeroosterd en ontving loon. Het primaire doel van de werkzaamheden was niet louter het volgen van een opleiding, maar ook het bijdragen aan de bedrijfsvoering van Splendid Care.
Splendid Care kon zich niet beroepen op de ontbindende voorwaarde in de BPV-overeenkomst omdat zij niet de onderwijsinstelling is en de bepaling niet toereikend was. De opzegging was derhalve niet rechtsgeldig. De kantonrechter vernietigt de opzegging, veroordeelt Splendid Care tot loondoorbetaling inclusief wettelijke verhoging en rente, maar wijst het verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst en toelating tot werkvloer af omdat verzoekster niet meer ingeschreven staat bij de opleiding.
Het tegenverzoek tot ontbinding wegens verstoorde arbeidsverhouding en ongeschiktheid wordt afgewezen omdat geen sprake is van een onherstelbare verstoring en verzoekster de opleiding kan hervatten. Splendid Care wordt veroordeeld in de proceskosten.