Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2019 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
“Een aantal weken geleden heb ik oa oude mobiele telefoons op het [naam] gebracht. Nu zijn mijn ouders vanmiddag gebeld door een persoon die blijkbaar een van mijn oude toestellen had gekocht op een markt in Utrecht. Hij wilde weten of het toestel misschien vermist was, omdat er nog gegevens op stonden. Ik heb blijkbaar niet alle info gewist. Maar ik ga ervan uit dat ik mijn telefoon ter vernietiging breng op het [naam] . Blijkbaar hebben de medewerkers daar een handel in oude telefoons, dat kan niet de bedoeling zijn. (...) ik vind dit heel zorgelijk.”
en
De mogelijkheid tot camera-inzet als hier aan de orde is genormeerd in de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (Uitvoeringswet AVG). De rechtbank is van oordeel dat de inzet van camera’s gerechtvaardigd was op grond van de concrete aanwijzing dat op de milieustraat mogelijk onjuist met ingeleverde goederen zou worden omgegaan en noodzakelijk was gelet op het doel van het onderzoek. Voor verweerder was het van belang om vast te stellen hoe het kon dat een mobiele telefoon die door een burger was ingeleverd op de milieustraat op de zwarte markt terecht kon komen. Hiervoor was het noodzakelijk om camera’s op te hangen in het depot van het klein chemisch afval (depot) waar de mobiele telefoons worden ingeleverd. Niet is gebleken dat een andere minder ingrijpende onderzoeksmethode tot hetzelfde resultaat zou hebben kunnen leiden. Verder is van belang dat de camerabeelden over de periode van 17 december 2017 tot en met 27 februari 2018 zijn geanalyseerd. Omdat sommige medewerkers, onder wie eiser, slechts werkzaam waren op bepaalde dagen, acht de rechtbank de lengte van deze periode niet ontoelaatbaar.
Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit en is de inzet van verborgen camera’s gebleven binnen de grenzen van de Uitvoeringswet AVG. Van strijd met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is daarom geen sprake. De rechtbank ziet daarom geen reden om te oordelen dat de camerabeelden onrechtmatig tot stand zijn gekomen en dat deze van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten.
In dit verslag staat onder meer dat aan eiser voor aanvang van het gesprek de reden van het onderzoek bekend is gemaakt en aan hem is medegedeeld dat medewerking aan het onderzoek op vrijwillige basis plaatsvond. Gelet hierop had eiser er dus voor kunnen kiezen om niet mee te werken aan het onderzoek. Het was daarom niet nodig om eiser te wijzen op zijn zwijgrecht. Hoffmann heeft hiermee gehandeld conform § 7.3 van de Privacygedragscode sector particuliere onderzoeksbureaus.
In dit verslag staat voorts dat eiser heeft verklaard dat hij bereid was om mee te werken aan het onderzoek. Eiser heeft niet verklaard dat hij zich wilde laten bijstaan door een advocaat. Aan het einde van het gesprek heeft eiser verklaard dat hij het gesprek goed vond. Vervolgens is het verslag geprint waarna eiser het verslag heeft gelezen en aanpassingen heeft doorgevoerd. Het definitieve gespreksverslag is geprint en door eiser ondertekend. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder deze omstandigheden eiser niet worden gevolgd in zijn stelling dat de door hem afgelegde verklaring onder dwang of ontoelaatbare druk is afgelegd. Ook blijkt uit het gespreksverslag niet dat ten tijde van het gesprek sprake was van een taalbarrière. Eiser heeft zijn stelling dat dit wel het geval was niet aannemelijk gemaakt. De enkele omstandigheid dat eiser zich ter zitting heeft laten bijstaan door een tolk leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
De rechtbank ziet gelet op het vorenstaande geen reden om de verklaringen die eiser op 12 april 2018 heeft afgelegd buiten beschouwing te laten.
Na zijn plaatsing op de milieustraat heeft [F] , die van juni 2015 tot september 2016 heeft gewerkt als interimmanager op het [naam] van de gemeente [gemeente] , het meenemen van goederen volledig verboden. [F] heeft op 13 april 2018 schriftelijk verklaard dat dit verbod uitgebreid bekend is gemaakt aan alle medewerkers tijdens een werkoverleg.
Op 27 augustus 2018 heeft [A] ( [A] ) verklaard dat zij sinds 1 september 2016 werkzaam is als teammanager [naam] , afval en reiniging. Zij heeft verder verklaard dat [F] het bonnensysteem vrijwel direct heeft stopgezet en dat [F] de afschaffing van het bonnensysteem uitdrukkelijk en duidelijk aan haar heeft overgedragen. Tot slot heeft [A] verklaard dat [F] heeft gezegd dat het stopzetten van het bonnensysteem bij iedereen bekend was.
Mogen medewerkers goederen, die de burgers hebben ingeleverd, meenemen naar huis?”het volgende verklaard:
Vroeger mocht dit wel. Dan ging je met hetgeen je wilde meenemen naar de kringloopwinkel en zij bepaalde dan wat je moest betalen. Die spullen nam je mee vanaf de milieustraat. Dat mocht van het oude management, [E] . [E] werkt nu in het stadhuis. Tegenwoordig mag dit niet meer, maar ik weet niet wat de afspraak is. Dat is sinds drie jaar dat dit niet meer mag, maar dat weet ik niet zeker.”
Overigens heeft eiser in zijn verklaring van 12 april 2018 geen melding gemaakt van een bonnensysteem en dat hij daar gebruik van heeft gemaakt. Ook uit de camerabeelden blijkt niet dat eiser van een bonnensysteem gebruik maakte.
Nu eiser goederen heeft meegenomen terwijl dit verboden was, is sprake van plichtsverzuim. Eiser heeft hiermee gehandeld in strijd met de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid die aan een ambtenaar worden gesteld.
Beslissing
mr. J. Woestenburg, leden, in aanwezigheid van mr. M. van Ettikhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2019.