ECLI:NL:RBMNE:2019:3509
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over motiveringsgebrek bij inburgeringsplicht Turkse asielzoeker
Eiser, een Turkse onderdaan met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, kreeg aanvankelijk een lening toegekend voor inburgeringskosten. De minister stopte deze lening omdat eiser volgens hem niet inburgeringsplichtig zou zijn. Eiser betwistte dit en stelde dat de minister ten onrechte alle Turkse onderdanen onder de uitzondering van de Wet Inburgering plaatste, zonder dit voldoende te motiveren.
De rechtbank stelt vast dat de inburgeringsplicht rechtstreeks uit de wet volgt en dat eiser ontvankelijk is in zijn beroep omdat het besluit gevolgen heeft voor zijn rechten. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2011, die betrekking heeft op Turkse onderdanen onder het associatierecht EU-Turkije, is niet van toepassing op eiser die een verblijfsvergunning asiel heeft.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek vertoont omdat de minister niet heeft toegelicht waarom hij alle Turkse onderdanen onder de uitzondering plaatste. Daarom wordt verweerder in de gelegenheid gesteld het gebrek binnen zes weken te herstellen met een aanvullende motivering of een nieuwe beslissing op bezwaar. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan totdat het gebrek is hersteld.
Uitkomst: De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid het motiveringsgebrek binnen zes weken te herstellen en houdt verdere beslissingen aan.