Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 mei 2020 in de zaak tussen
,samen aangeduid als alle eisers,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, verweerder
[eiseres sub 2] B.V.( [eiseres sub 2] ) als derde-partij aan het geding deelgenomen
Procesverloop
Overwegingen
- voorschrift 1.9 (zorgplicht) is opnieuw en ongewijzigd ten opzichte van de revisievergunning aan de omgevingsvergunning verbonden;
De beoordeling van het bestreden besluit 2; gebreken hersteld?
- Kunnen de nieuwe beroepsgronden die niet eerder tegen het bestreden besluit 1 worden aangevoerd, inhoudelijk worden besproken?;
- Is met het gewijzigde voorschrift 4.9. het hierbij geconstateerde gebrek hersteld?;
- Mocht verweerder zich bij zijn verdere besluitvorming baseren op het geluidrapport 2019? en
- De beoordeling van de door verweerder gemaakte belangenafweging.
“ De rechtbank begrijpt dat verweerder op deze wijze, door per toetspunt te bezien welke geluidsruimte daar nodig is, omwonenden optimale bescherming heeft willen bieden tegen geluidsoverlast, terwijl de inrichting kan blijven functioneren zoals is vergund. De gekozen systematiek heeft echter tot gevolg dat voor dezelfde geluidgevoelige objecten – woningen – verschillende beschermingsniveaus gelden. De rechtbank acht deze systematiek in het licht van wat [eiseres sub 2] heeft aangevoerd niet aanvaardbaar, omdat dit er ter plaatse van de toetspunten met de strengste geluidsniveaus toe leidt dat de mogelijkheid van [eiseres sub 2] om flexibel om te kunnen gaan met haar bedrijfsvoering wordt beperkt. Dat die beperking noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu kan niet worden gezegd, omdat verweerder voor andere toetspunten juist hogere geluidsniveaus heeft vastgesteld. Voor die woningen is een grotere bescherming tegen geluidseffecten dus kennelijk niet nodig in het belang van de bescherming van het milieu. De systematiek om aldus ter plaatse van de verschillende woningen specifieke, van elkaar verschillende geluidsruimte te vergunnen leidt in dit geval tot een onevenredige benadeling van de belangen van [eiseres sub 2] . Daarbij komt dat, zoals hiervoor is geoordeeld, verweerder onvoldoende heeft onderzocht wat de representatieve bedrijfssituatie is, zodat ook niet is vast komen te staan dat de representatieve bedrijfssituatie van inrichting aan voorschrift 4.9 kan voldoen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.”