ECLI:NL:RVS:2020:972
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- R. Uylenburg
- E. Helder
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bestemmingsplan Bedrijventerreinen wegens strijd met Dienstenrichtlijn
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 1 april 2020 uitspraak gedaan in een zaak tussen [appellante] en de raad van de gemeente Meierijstad over het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" van 10 november 2015.
[Appellante] wilde een uitbreiding van het toegestane branchevreemde detailhandelsoppervlak van 250 m2 naar 379 m2 en een verruiming van de beperkingen per hoofdbranche, met name voor elektrische fietsen en vrijetijdskleding/textiel. De Afdeling oordeelde dat de raad onvoldoende had onderbouwd dat de planregeling voldoet aan de eisen van artikel 15, derde lid, onder c, van de Dienstenrichtlijn, met name op het punt van geschiktheid, noodzakelijkheid en evenredigheid van de beperkingen.
De Afdeling vernietigde het besluit voor zover het niet toestaat dat [appellante] maximaal 379 m2 wvo voor branchevreemde artikelen mag gebruiken en een beperking van maximaal 200 m2 per hoofdbranche voor elektrische fietsen en vrijetijdskleding/textiel ontbreekt. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. Tevens werd de raad veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De Afdeling ging uitvoerig in op de geschiktheid van de brancheringsregeling, de effectiviteit van het beleid in Meierijstad, de mogelijkheid van minder beperkende maatregelen en de evenredigheid van de beperking. De raad had aannemelijk gemaakt dat de landelijke onderzoeken ook op Meierijstad van toepassing zijn en dat de beperkingen een zinvolle bijdrage leveren aan het behoud van de leefbaarheid van het centrum en het voorkomen van leegstand. [Appellante] kon niet aantonen dat de situatie in Meierijstad dermate afwijkend is dat de brancheringsregeling niet effectief zou zijn.
De Afdeling concludeerde dat de raad redelijkerwijs heeft kunnen besluiten dat de planregeling geschikt is, niet verder gaat dan nodig is en dat het doel niet met minder beperkende maatregelen kan worden bereikt. Het verzoek van [appellante] om een uitzondering te maken werd afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden die een onevenredige last opleveren.
Uitkomst: Het bestemmingsplan wordt vernietigd voor zover het de uitbreiding van branchevreemde detailhandel beperkt, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.