Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser deels gelijk heeft en dat verweerder het bedrag dat mag worden teruggevorderd verkeerd heeft berekend. Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt. De rechtbank legt dat hieronder verder uit.
De regels voor de berekening van de terugvordering
5. De rechtbank overweegt dat verweerder de kosten van bijstand kan terugvorderen als de bijstandsontvanger naderhand over de periode waarover bijstand is verleend over middelen kan beschikken.Dat is bijvoorbeeld het geval als een bijstandsontvanger geld ontvangt uit een erfenis of een boedelscheiding. Of en hoeveel verweerder mag terugvorderen, hangt af van de volgende berekening.
6. Voor terugvordering is vereist dat het naderhand ontvangen bedrag, teruggerekend naar het tijdstip waarop de aanspraken op die middelen ontstonden, tezamen met de toen aanwezige overige vermogensbestanddelen en met inachtneming van de toen geldende vrijlatingsgrens, de grens van het vrij te laten vermogen overschrijden. Als het tijdstip waarop de aanspraken op de desbetreffende middelen ontstonden, ligt voor de aanvang van de bijstandsverlening, dan is de situatie bij de aanvang van de bijstandverlening beslissend. Is dat niet zo, dan geldt als peildatum de dag waarop de aanspraak op de desbetreffende middelen is ontstaan.
7. Voor eiser betekent het dat verweerder kijkt naar het moment dat eiser bijstand kreeg (11 juni 2014) en hoe hoog zijn vermogen op dat moment was. Het bedrag uit de boedelscheiding minus eventuele schulden en minus het bedrag van het vrij te laten vermogen, mag verweerder terugvorderen.
Over de lening van € 11.800,- van [A] en de lening van € 8.000,- van [B]
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze twee leningen bij de berekening van het vermogen van eiser had moeten betrekken. Daarvoor is het volgende van belang. Verweerder heeft wel aanleiding gezien om rekening te houden met de kosten van rechtsbijstand die eiser heeft gemaakt. Daarbij is eiser deze twee leningen in 2010 aangegaan, dus vóór dat hij bijstand kreeg. Van beide leningen is een overeenkomst/schuldbekentenis opgesteld. Het bestaan van de leningen is door verweerder ook niet betwist en staat dus vast. Verweerders standpunt dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden omdat hij deze schulden niet bij verweerder heeft gemeld, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft bij de aanvraag om bijstand in 2014 op het aanvraagformulier aangekruist dat hij schulden had. Daarbij heeft verweerder eiser na ontvangst van het aanvraagformulier voor de bijstand op 15 juli 2014 een brief gestuurd met het verzoek om meer informatie. In die brief heeft verweerder omschreven welke documenten eiser precies moest overleggen. Daarbij stond niet vermeld dat eiser bewijsstukken van voornoemde geldleningsovereenkomsten moest indienen. [A] heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij eiser heeft begeleid en dat zij alle stukken genoemd in de brief van 15 juli 2014 bij verweerder aan de balie hebben ingeleverd. Van schending van de inlichtingenplicht is dus geen sprake.
9. Het standpunt van verweerder dat eiser de leenovereenkomsten in 2014 uit zichzelf had moeten overleggen acht de rechtbank niet redelijk. Deze stelling is nieuw en eerst ter zitting naar voren gebracht. Als gezegd heeft verweerder in zijn brief van 15 juli 2014 een specifieke opsomming gegeven van de stukken die eiser moest indienen. Daarmee heeft verweerder de suggestie gewekt dat deze lijst compleet was, zodat op dat moment niet van eiser verwacht kon worden dat hij uit zichzelf de leenovereenkomsten bij verweerder zou inleveren. Het had op de weg van verweerder gelegen om eiser ook specifiek om deze stukken te vragen. De rechtbank acht verder van belang de persoonlijke, medische situatie van eiser. Eiser heeft een hersenbloeding gehad en daardoor last van epilepsie en ernstige geheugenproblemen. [A] heeft ter zitting toegelicht dat hij eiser als buddy ondersteunt bij administratieve zaken en eiser dus ook heeft bijgestaan bij het aanvragen van bijstand. Deze situatie van eiser was gelet op de rapportage van 1 september 2014 bekend bij verweerder. Verweerder had ook daarmee rekening moeten houden en desgewenst specifiek nadere bewijsstukken van de door eiser vermelde schulden moeten vragen. Nu verweerder dat heeft nagelaten, is het niet redelijk om deze schulden bij gebreke van bewijsstukken buiten beschouwing te laten.
Over de lening van € 15.970,10 van [A]
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze lening terecht niet bij de vaststelling van het vermogen heeft betrokken. Dit is een opsomming van bedragen die [A] aan eiser heeft overgemaakt in de periode dat eiser bijstand ontving.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)worden stortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel beschouwd als middelen. Als deze betalingen een terugkerend karakter hebben, door de bijstandsontvanger kunnen worden gebruikt voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw. Dat is hier het geval, nu eiser heeft toegelicht dat hij deze bedragen (onder andere) heeft gebruikt om zijn hypotheek te betalen. De stelling dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent namelijk niet dat niet langer sprake is van middelen. Verweerder heeft dit bedrag dus niet hoeven aanmerken als schuld.
De vrij te laten vermogensgrens
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de grens van het vrij te laten vermogen. Uit de rechtspraak van de CRvB zoals besproken onder 6. blijkt dat verweerder bij het berekenen van de terugvordering rekening moet houden met het vrij te laten vermogen. Anders dan eiser heeft aangevoerd, gaat het dan om het bedrag van het vrij te laten vermogen zoals dat gold ten tijde van de bijstandsverlening in 2014.
12. Het betoog van verweerder dat er bij toekenning al rekening is gehouden met het vrij te laten vermogen en dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB maar eenmaal per bijstandsperiode rekening kan worden gehouden met de vrij te laten vermogensgrens volgt de rechtbank niet. De rechtspraak waar verweerder op doelt, ziet op een andere situatie, namelijk als sprake is van vermogenstoename gedurende de bijstandsperiode. Dat is hier niet het geval. Verweerder heeft in 2014 bijstand toegekend in de wetenschap dat eiser op dat moment aanspraak had op een geldbedrag waarvan de hoogte tot de definitieve boedelscheiding ongewis was. Het vermogen is bij de bijstandsaanvraag vastgesteld op basis van de voorlopige waardevaststelling van de woning in de boedel. In het primaire besluit heeft verweerder het vermogen in het kader van de terugvordering definitief vastgesteld. Op dat moment was namelijk de waarde van het aandeel van eiser in de boedel bekend. Verweerder heeft dit ter zitting desgevraagd bevestigd. Verweerder heeft dus nog geen rekening gehouden met de vrij te laten vermogensgrens.
13. De rechtbank overweegt dat verweerder bijstand mag terugvorderen op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de Pw maar dat dit geen verplichting is.
Dat betekent dat verweerder een belangenafweging moet maken en in het bestreden besluit uitdrukkelijk moet vermelden of gebleken is van specifieke, individuele omstandigheden die maken dat geheel of gedeeltelijk van terugvordering moet worden afgezien.
Dat heeft verweerder niet gedaan. De enkele stelling dat geen sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien is onvoldoende gelet op de omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht.
14. Het beroep van eiser is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).