Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
2. De feiten).
1.De procedure
- de dagvaarding plus productie 1 tot en met 14
- de mondelinge behandeling op 20 oktober 2020
- de pleitnota van Gem Spiegelhout
- de pleitnota van WPZ
“[…] Mochten wij van u niets vernemen, of in het onverhoopte geval dat u aangeeft niet mee te willen werken aan het vestigen van het gevraagde opstalrecht, dan zullen wij de Minister van I en M verzoeken om een gedoogprocedure op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht te starten. In dat geval zal een gedoogplicht tot het dulden van de windturbines worden opgelegd en zal de door u geleden en te lijden schade als gevolg van deze gedoogplicht worden vergoed. […]”.
2.13. Bij brief van 7 april 2017 aan WPZ heeft de provincie Flevoland onder meer het volgende meegedeeld:
“[…] In het […] Regioplan […] is vastgelegd dat de overheden samenwerken met één initiatiefnemer of samenwerkingsverband van initiatiefnemers. […] Medio december 2016 hebben de gezamenlijke overheden […] vernomen dat ondanks alle inspanningen en een bemiddelingspoging door oud-wethouder Hendrik de Vries, niet alle turbine- en grondeigenaren zich verenigd hadden binnen één ontwikkelende partij. De gezamenlijke overheden hebben daarom medio december twee bemiddelaars opdracht gegeven om met de verschillende partijen om tafel te gaan om te onderzoeken of er toch tot samenwerking gekomen kan worden. […] Op 30 maart jl. hebben de overheden van de bemiddelaars vernomen dat de twee partijen […] helaas niet tot overeenstemming zijn gekomen. […] Gezien de gezamenlijke beleidsdoelen van opschalen/saneren en het Nationaal beleid windenergie hebben wij besloten om het project voort te zetten met de bestaande initiatiefnemer (die het overgrote aandeel te saneren windmolens heeft gecontracteerd)(dit is WPZ, rb.)
en de bijbehorende planning. […]”
“welk aspect de Afdeling – welbewust – geen uitspraak heeft gedaan […]”. WPZ heeft op deze brief niet gereageerd.
26 september 2018 (zie hiervoor r.o. 2.18) heeft de Afdeling op 18 december 2019 een uitspraak gedaan over de (onder meer) aan Gem Spiegelhout opgelegde gedoogplicht. Het beroep is ongegrond verklaard. Met de uitspraak is de gedoogbeschikking onherroepelijk geworden.
3.Het geschil
4.De beoordeling
.Gem Spiegelhout heeft de bestuursrechtelijke routes bewandeld die voor haar openstonden. Dit heeft inmiddels geleid tot onherroepelijk geworden vergunningen en een onherroepelijk geworden gedoogplicht en RIP. WPZ heeft zich echter niét geconfronteerd gezien met Gem Spiegelhout als een partij die met concrete plannen daadwerkelijk actie heeft ondernomen om (in aanmerking te komen om) het windpark te realiseren en/of te exploiteren. Gem Spiegelhout heeft weliswaar op enig moment kenbaar gemaakt dat zij de principiële rechtsvraag over schaarse publieke rechten beantwoord wil zien, maar heeft zich bijvoorbeeld niet in het kader van de elektriciteitswet als initiatiefnemer gemeld. Gem Spiegelhout heeft tijdens de mondeling behandeling gesteld dat zij wel bij de overheden heeft “aangeklopt”, maar uit niets blijkt dat zij is gekomen met een (serieus) plan waaruit voor die overheden (en WPZ) bleek dat zij als potentiële “concurrentexploitant” in de markt was. Daarbij komt dat Gem Spiegelhout niet alle gronden in het plangebied in handen heeft. In dit kort geding is niet gesteld of gebleken dat Gem Spiegelhout een poging tot samenwerking met andere grondeigenaren heeft gedaan, althans een poging heeft gedaan om draagvlak hiertoe te creëren. Gem Spiegelhout heeft daarentegen eerst geprobeerd om de komst van het in het Regioplan beoogde windpark tegen te houden en zij heeft nu slechts in algemene bewoordingen gesteld dat zij in staat en – als zij in de gelegenheid zou zijn gesteld om dit te overwegen – onder voorwaarden ook zelf bereid zou zijn geweest de realisatie van het windpark op zich te nemen.
4.8. Gelet op de omstandigheid dat Gem Spiegelhout zich bezighoudt met woningbouwontwikkeling en niet met windmolens, hoefde WPZ naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook niet te verwachten dat Gem Spiegelhout een potentiële kandidaat voor de realisatie en/of exploitatie van datzelfde windpark was. Evenmin heeft WPZ daarmee rekening hoeven te houden in die zin dat zij zich in dit jarenlange proces mede had moeten richten op de belangen van Gem Spiegelhout op dit punt. Zo gaf Gem Spiegelhout in haar zienswijze tegen het RIP bijvoorbeeld nog expliciet aan dat zij tot doel had haar deel van de woningbouwlocatie Oosterwold op haar gronden te ontwikkelen en te realiseren en niet om deel te nemen in windenergieprojecten. Gem Spiegelhout heeft aan de voorzieningenrechter niet duidelijk kunnen maken in welk opzicht WPZ anders had moeten of kunnen handelen dan zij heeft gedaan.
1.470,00