ECLI:NL:RBMNE:2020:5093
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering verbeurde dwangsom wegens overtreding huisvesting bedrijfswoning
Eiser werd op 7 december 2018 een last onder dwangsom opgelegd omdat meerdere personen in zijn bedrijfswoning woonden zonder dat zij één huishouden vormden, wat niet was toegestaan. Eiser had tot 7 juni 2019 om de overtreding te beëindigen, maar op 27 juni 2019 werd geconstateerd dat de overtreding voortduurde. Verweerder legde daarop een dwangsom van €10.000 op en vorderde deze in nadat eiser niet betaalde.
Eiser stelde dat de voorzitter van de bezwaarschriftencommissie partijdig was, maar de rechtbank verwierp dit beroep wegens gebrek aan bewijs en omdat de voorzitter niet werkzaam was onder het bestuursorgaan. Daarnaast stelde eiser dat de rechtmatigheid van het dwangsombesluit niet meer aan de orde kon komen bij het invorderingsbesluit, wat de rechtbank bevestigde op basis van vaste jurisprudentie.
De rechtbank oordeelde dat de dwangsom terecht was verbeurd en dat verweerder bevoegd was tot invordering. Eiser voerde aan dat hij de huur had opgezegd en dat daarna wel één huishouden in het pand woonde, maar dit vormde geen bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien. De rechtbank concludeerde dat eiser verantwoordelijk was voor het beëindigen van de overtreding en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om af te zien van invordering.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de invordering van de verbeurde dwangsom van €10.000 en verklaart het beroep ongegrond.