De rechtbank Midden-Nederland heeft op 23 december 2020 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van aanranding, wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling van het slachtoffer in Soest tussen 5 en 6 januari 2019.
Het bewijs bestond uit de gedetailleerde en consistente verklaringen van het slachtoffer, die werden ondersteund door politieverklaringen, medische rapporten en de eigen bekentenis van verdachte dat hij aan de borsten van het slachtoffer had gezeten en haar niet liet vertrekken. Verdachte ontkende de beschuldigingen, maar zijn verklaring werd door de rechtbank als ongeloofwaardig beoordeeld.
De rechtbank achtte bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, haar wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd door het op slot doen van deuren en ramen, en haar heeft mishandeld met onder meer slagen en het slaan van haar hand tegen een muur, wat resulteerde in een gebroken hand.
De rechtbank verwierp het beroep op noodweerexces en oordeelde dat de feiten strafbaar zijn. Verdachte werd veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een contactverbod met het slachtoffer. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €1.461,60 plus wettelijke rente en proceskosten.
De straf en schadevergoeding werden passend geacht gezien de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de gevolgen voor het slachtoffer.