De zaak betreft het verzoek van een topfunctionaris tot vernietiging van zijn ontslag op staande voet door zijn werkgever, een IT-leverancier, wegens vermeende belangenverstrengeling en andere gedragingen. De werkgever stelde dat de werknemer zichzelf via een vriend en diens bedrijf persoonlijk heeft verrijkt ten koste van de werkgever, wat een dringende reden voor ontslag opleverde.
De rechtbank oordeelde dat het ontslag aan de strenge wettelijke eisen voldoet. De belangenverstrengeling was ernstig en de werknemer had onvoldoende gemeld en gehandeld in strijd met zijn contractuele verplichtingen. Het beroep op klokkenluidersbescherming werd afgewezen omdat de meldingen niet als zodanig kwalificeerden.
Verder werden vorderingen van de werknemer tot betaling van niet genoten vakantiedagen, bonussen over 2018 en 2019, en een billijke vergoeding afgewezen. De werkgever mocht een gefixeerde schadevergoeding inhouden wegens het ontslag op staande voet.
De kantonrechter veroordeelde de werknemer in de proceskosten en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de werkgever werd afgewezen wegens het niet vervullen van de gestelde voorwaarde.