Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
In de periode van 25 november tot en met 3 december 2019 heeft verweerder verschillende waarnemingen bij het uitkeringsadres gedaan om te controleren of de auto op naam van [A] in de omgeving stond geparkeerd. Op 10 december 2019 heeft verweerder vervolgens een huisbezoek op het uitkeringsadres gedaan. Van de verklaring die eiser tijdens het huisbezoek heeft afgelegd, zijn aantekeningen gemaakt op het formulier ‘Toestemming huisbezoek’. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in het Rapport Intensief Controle onderzoek van 10 december 2019 (het rapport). Verweerder heeft op grond van de verklaring van eiser en de bevindingen in het rapport de aanvraag van eiser afgewezen.
Wederzijdse zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Daarbij moeten alle gebleken, objectieve feiten en omstandigheden worden betrokken.
Zij hebben samen de woning op het uitkeringsadres gehuurd, omdat eiser anders heel lang op een woning zou moeten wachten. Tijdens het huisbezoek zijn geen goederen van [A] aangetroffen waaruit blijkt dat zij bij hem woont of van plan is bij hem te gaan wonen. Er is vrouwelijk ondergoed aangetroffen maar daar is een logische verklaring voor aangezien zij een affectieve relatie hebben. Het enkele feit dat [A] op het moment van het huisbezoek in de woning aanwezig was is onvoldoende voor het vaststellen van een gemeenschappelijke huishouding. Gelet op het voorgaande heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door te concluderen dat vanaf 10 december 2019 sprake is van een gezamenlijke huishouding met [A] , aldus eiser.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de afwijzing van de aanvraag vanaf 10 december 2019;
- herroept het besluit van 12 december 2019;
- bepaalt dat aan eiser met ingang van 10 december 2019 tot 27 maart 2020 bijstand naar de norm voor alleenstaande wordt toegekend;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.