ECLI:NL:RBMNE:2021:143

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 januari 2021
Publicatiedatum
20 januari 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1474
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanwijzing woning als gemeentelijk monument in gemeente Gooise Meren

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren heeft de woning van eisers aangewezen als gemeentelijk monument. Eisers stelden beroep in tegen deze aanwijzing en voerden onder meer aan dat er sprake is van willekeur, strijd met het gelijkheidsbeginsel en rechtszekerheid, en dat de monumentale status onnodig is vanwege de bescherming als beschermd dorpsgezicht.

De rechtbank overwoog dat verweerder beleidsvrijheid heeft bij de aanwijzing van gemeentelijke monumenten, begrensd door de Erfgoedverordening en algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank vond dat verweerder voldoende heeft onderbouwd waarom juist het pand van eisers als monument is aangewezen en dat er geen sprake is van ongelijke behandeling of willekeur.

Verder oordeelde de rechtbank dat het niet opnemen van het pand op een lijst uit 1989 geen gerechtvaardigd vertrouwen schept dat het pand nooit als monument zou worden aangewezen, en dat de monumentale status aanvullende bescherming biedt ten opzichte van het beschermd dorpsgezicht.

De rechtbank nam ook mee dat financiële belangen en mogelijke waardevermindering onvoldoende zijn om de aanwijzing te weigeren, zeker omdat eisers dit niet aannemelijk hebben gemaakt. De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het algemene belang bij aanwijzing zwaarder weegt dan de individuele belangen van eisers. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanwijzing van de woning als gemeentelijk monument wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1474

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2021 in de zaak tussen

[eiseres] en [eiser] , te [woonplaats] , eisers,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder
(gemachtigde: W. Verbeek).
Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:
Stichting Cuypersgenootschap, te Zoetermeer, gemachtigde: dhr. L.W. Dubbelaar en
Bestuur Vereniging Historische Kring Bussum, te Bussum.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de woning van eisers aan de [adres] te [woonplaats] aangewezen als gemeentelijk monument.
Bij besluit van 3 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2020. [eiseres] is namens eisers verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partijen zijn niet verschenen.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De afgelopen jaren heeft er in de gemeente Gooise Meren een inventarisatie plaatsgevonden van objecten en panden uit de periode 1940-1970, die in aanmerking kunnen komen voor de status van gemeentelijk monument. Verweerder heeft deze objecten en panden laten onderzoeken en een deel wordt aangewezen als gemeentelijk monument. De Vereniging Historische Kring Bussum en Stichting Cuypersgenootschap hebben verweerder erop gewezen dat er nog een aantal monumentale panden van vóór 1940 ontbreken op de gemeentelijke monumentenlijst. Zij hebben deze panden geïnventariseerd, waaronder de woning van eisers aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het pand). Een architectuurhistoricus heeft op basis van onderzoek ter plekke en op basis van archiefonderzoek een redengevende beschrijving opgesteld. Op 7 november 2018 heeft verweerder eisers geïnformeerd over het voornemen om het pand aan te wijzen als gemeentelijk monument en een besluit tot voorbescherming genomen. Op 15 juli 2019 heeft verweerder het bezwaar tegen de voorbescherming van het pand ongegrond verklaard. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Grondslag van het bestreden besluit
2. Het college heeft de aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument gebaseerd op adviezen van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed (CRK&E). De CRK&E heeft op basis van een redengevende omschrijving geadviseerd om tot aanwijzing over te gaan, omdat er veel waarde wordt gehecht aan de bescherming van de zichtbare architectuurhistorische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarde van het pand van eisers. Het pand is met name aangewezen omdat het een ontwerp van de Bussumse architect C.J. Kruisweg is en het pand een gaaf gebleven villa uit het begin van de twintigste eeuw is op een groot perceel, die zo typerend is voor de buitenring van [wijk] . Het pand is ook een goed voorbeeld van een villa met een afwisseling in het bouwvolume, asymmetrische gevels, detaillering in de gevelaccenten en een rijke vormentaal. Het met de aanwijzing te dienen belang prevaleert volgens verweerder boven het belang van eisers om de aanwijzing achterwege te laten.
Het oordeel van de rechtbank
3. Verweerder heeft beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monumentwaardige onroerende zaak als beschermd gemeentelijk monument. Die vrijheid vindt haar begrenzing in de Erfgoedverordening Gooise Meren 2016 en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechter beoordeelt of het betrokken bestuursorgaan in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, tot de aanwijzing heeft kunnen komen. De ten tijde van de besluitvorming bestaande situatie is daarbij van belang.
Het gelijkheidsbeginsel
4. Eisers voeren aan dat er door de handelwijze van verweerder sprake is van willekeur en dat het besluit is genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het pand van eisers wordt in een uitzonderingspositie geplaatst. Niet alle panden van architect Kruisweg zijn aangewezen als monument. Het pand van eisers is niet extra bijzonder vergeleken met andere villa’s in [wijk] . Als het pand van eisers monumentwaardig is, zijn er nog talloze andere panden in [wijk] die dat ook zijn. Ter illustratie hebben eisers foto’s van deze villa’s overgelegd.
5. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er een aantal criteria zijn vastgesteld op grond waarvan wordt geconcludeerd of een pand als cultuurhistorisch waardevol object kan worden aangemerkt. Op deze wijze tracht verweerder willekeur zoveel mogelijk uit te sluiten. De monumentale waarde van het pand komt naar het oordeel van de rechtbank voldoende tot uitdrukking in de redengevende beschrijving en de adviezen van de CRK&E. Naar aanleiding van het eerste advies van 3 juni 2019 van de CRK&E heeft er een aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar het onderscheidende karakter van het pand ten opzichte van andere villa’s in [wijk] . Uit dit onderzoek bleek dat het pand van eisers zich onderscheidt van de overige villa’s in [wijk] en in het bijzonder de andere villa’s van Kruisweg door de aanwezige details en opbouw van de gevels en de gaafheid van het pand. Verweerder heeft hiermee voldoende omschreven waarom juist het pand van eisers als monument is aangewezen. Van ongelijke behandeling van gelijke gevallen is daarom geen sprake. Uit de beslissing van verweerder om het pand aan te wijzen als monument, volgt verder niet dat verweerder in de toekomst geen andere panden kan of zal aanwijzen als gemeentelijk monument. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel of het verbod op willekeur is dus geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Het rechtszekerheidsbeginsel
6. Eisers voeren verder aan dat het bestreden besluit in strijd is met de rechtszekerheid. De lijst van monumentale panden gebouwd vóór 1940 is in 1989 opgesteld en daar stond het pand van eisers niet op. Dat het pand 30 jaar na opstelling van de lijst alsnog als monument wordt aangewezen is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
7. De rechtbank volgt eisers hierin niet. Eisers hebben aan de enkele omstandigheid dat hun pand niet eerder op deze lijst is opgenomen niet het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat hun pand nooit meer zou worden aangewezen als gemeentelijk monument. Er is dus geen sprake van een situatie waarin eisers konden vertrouwen op het voortbestaan van een opgebouwde rechtspositie. Daarnaast is niet gebleken dat er sprake is van een toezegging door verweerder waaruit eisers konden opmaken dat hun pand in de toekomst niet als monument zou worden aangewezen. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is daarom ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Beschermd dorpsgezicht
8. Eisers voeren aan dat een monumentale status niet nodig is, omdat het pand al beschermd is. Het pand valt onder de strengere regelgeving van het beschermd dorpsgezicht.
9. De rechtbank stelt vast dat het doel van een aanwijzing als beschermd dorpsgezicht is dat de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende, structuur en ruimtelijke kwaliteit van een gebied wordt onderkend als zwaarwegend belang bij de toekomstige ontwikkelingen binnen dit gebied. De bescherming ziet dus op het gebied als geheel en niet zo zeer op de individuele percelen in dat gebied. De monumentale status heeft bovendien betrekking op het gehele pand en dus niet alleen op het exterieur. De waardering bij de monumentale status bestaat verder uit meerdere elementen. Naast de architectonische waarde zijn dit ook de stedenbouwkundige en de cultuurhistorische waarde. Het gaat hierbij niet om strengere regels, maar om aanvullende regels. Met verweerder moet daarom worden geconcludeerd dat bestemmingsplanvoorschriften of de aanwijzing van de omgeving als beschermd stads- of dorpsgezicht niet dezelfde mate van bescherming biedt als een monumentale status. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op dit punt (onder andere de uitspraak van 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:519). De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Belangenafweging
10. Eisers voeren aan dat het stempel van gemeentelijk monument een waardeverlagend gevolg heeft. Ook kan het zijn dat het pand hierdoor langer te koop staat/lastiger te verkopen is. Daarnaast kan het onderhoud kostbaar zijn, want het pand dient zijn historische en unieke monumentale waarde te behouden. Bij een monument is men verbonden aan wet- en regelgeving wanneer het monument wordt aangepast, verbouwd of gerestaureerd. Het vergunningtraject voor een monument duurt langer dan het traject voor niet-monumentale panden. Deze nadelen zijn ook van invloed op de waarde van het pand.
11. De rechtbank stelt voorop dat verweerder onderzoek heeft gedaan naar de monumentale waarde van het pand van eisers en de architectuurhistoricus om een waardering van het pand heeft gevraagd over de aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument. Zoals hiervoor is overwogen heeft verweerder in de redengevende omschrijving voldoende onderbouwd waarom het pand monumentwaardig is. De enkele omstandigheid dat de monumentstatus van het pand maakt dat procedures rondom (ver)bouwen langer zullen duren of uitgebreider zijn dan wanneer er geen sprake is van een monumentstatus, maakt niet dat verweerder het algemeen belang om het pand aan te wijzen als gemeentelijk monument, niet mocht laten prevaleren boven het individuele belang van eisers om hun (ver)bouwplannen eenvoudiger en sneller te realiseren. De omstandigheid dat eisers voor bepaalde wijzigingen aan het pand een vergunning zullen moeten aanvragen, is immers ook een beoogd gevolg van de aanwijzing. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL7824).
12. Een financieel belang is verder in principe onvoldoende grond om van aanwijzing af te zien (zie de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:857). Slechts indien zou blijken dat de waardedaling zo groot is dat het belang van de eigenaar onevenredig zou worden geschaad, dient dit in de door het college te maken afweging betrokken te worden (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0141). De enkele aanwijzing van een pand als gemeentelijk monument brengt echter niet zonder meer met zich dat het pand in waarde daalt. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat er zich een dergelijke waardedaling voordoet. Dit hebben eisers niet gedaan. De aanwijzing als beschermd monument houdt ook niet in dat ingrijpende wijzigingen of zelfs sloop geen doorgang kunnen vinden. Daarvoor is wel een omgevingsvergunning vereist. Daarnaast hebben eisers niet concreet gemaakt in hoeverre het onderhoud nu duurder zal zijn. Het is daarom niet gebleken dit onevenredig nadelig uitpakt voor eisers. Daarbij moet opgemerkt worden dat er ook subsidiemogelijkheden zijn voor monumenten als tegemoetkoming voor de kosten. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie
13. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het pand van eisers beschikt over zodanige monumentale waarden, dat het voor de aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking komt en dat het algemene belang van aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument zwaarder weegt dan de gestelde belangen van eisers bij het niet aanwijzen van het pand tot monument.
14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is uitgesproken op 19 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.