ECLI:NL:RBMNE:2021:3847
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning na beoordeling taxatiematrix en indexering
In deze bestuursrechtelijke zaak betrof het beroep de vaststelling van de WOZ-waarde van een hoekwoning te Utrecht voor het belastingjaar 2020. De gemeente had de waarde vastgesteld op €294.000,- en de eiseres stelde een lagere waarde van €267.000,- voor. De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van de vastgestelde waarde aan de hand van een door verweerder overgelegde taxatiematrix waarin drie vergelijkbare woningen waren opgenomen.
Eiseres voerde aan dat verweerder de onderliggende stukken van de taxatiematrix niet had verstrekt en dat de gehanteerde indexering van de verkoopprijzen onjuist was. De rechtbank oordeelde dat de stukken waarop de matrix is gebaseerd niet onder de verplichting van artikel 8:42 Awb Pro vallen, omdat deze na het besluit zijn opgesteld. Tevens werd vastgesteld dat de gebruikte indexeringsmethode ongeschikt was, omdat deze gebaseerd was op gemiddelde WOZ-waardeontwikkelingen en niet op verkooptransacties.
Desondanks concludeerde de rechtbank dat verweerder met de taxatiematrix en de vergelijkbaarheid van de referentiewoningen aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog was. De verkoopprijs van één referentiewoning, die vlakbij gelegen was en qua type vergelijkbaar, werd als betrouwbaar aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning is ongegrond verklaard.