ECLI:NL:RBMNE:2021:6140

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2021
Publicatiedatum
20 december 2021
Zaaknummer
21/3589
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens schending inlichtingenplicht en onduidelijke verblijfplaats

Eiser diende op 9 maart 2021 een aanvraag om bijstand in op grond van de Participatiewet, gericht op de norm voor een alleenstaande. Verweerder wees deze aanvraag af omdat eiser de inlichtingenplicht had geschonden door geen controleerbare en objectieve gegevens over zijn verblijfplaats te verstrekken. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

Eiser voerde aan dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding met zijn ex-partner en betwistte de verklaring van het Leger des Heils die verweerder aanvoerde. Tijdens de zitting verklaarde eiser dat hij in de te beoordelen periode in een specifieke locatie verbleef, maar deze verklaring was tegenstrijdig met eerdere verklaringen en werd niet onderbouwd.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende duidelijkheid had verschaft over zijn woon- en leefomstandigheden, terwijl het aan hem was om dit te bewijzen. De verklaringen van medewerkers van het Leger des Heils bevestigden dat eiser sinds eind februari 2021 uitgehuisd was en niet bekend was bij andere opvanglocaties. Daarom was het recht op bijstand niet vast te stellen en was de afwijzing terecht.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd mondeling gedaan op 16 december 2021 en is openbaar gemaakt.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege schending van de inlichtingenplicht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/3589

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: M.K. Riemersma).

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.
Bij besluit van 10 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2021 via een skypeverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser heeft op 9 maart 2021 een aanvraag om bijstand op grond van de Pw ingediend naar de norm voor een alleenstaande.
3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aanvraag om bijstand terecht is afgewezen omdat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiser heeft geen duidelijkheid verschaft en geen controleerbare en objectieve gegevens verschaft over zijn feitelijke verblijfplaats waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4. Eiser voert in beroep aan dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding met zijn ex-partner. Volgens eiser is uit de stukken niet gebleken van een telefoongesprek tussen verweerder en het Leger des Heils. De verklaring van het Leger des Heils kan daarom niet aan eiser worden tegengeworpen. Ook kan eiser niet worden gehouden aan de verklaring die op
6 april 2021 telefonisch is afgelegd. Op de zitting is daaraan toegevoegd dat eiser in de te beoordelen periode in de [locatie 1] verbleef.
4. De te beoordelen periode loopt van 9 maart 2021 tot en met 7 april 2021.
5. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager, ook iemand die zich als dak- en thuisloze presenteert, dient duidelijkheid te geven over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. [1] Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. [2]
6. De rechtbank stelt vast dat uit de stukken blijkt dat twee medewerkers van het Leger des Heils (los van elkaar) hebben verklaard dat eiser sinds 24 februari 2021 is uitgehuisd, dat het traject bij het Leger des Heils volledig is afgesloten en dat eiser ook niet bekend is bij andere locaties. De stelling van eiser dat hij daar vanaf 25 januari sliep kan daarom niet kloppen. In zijn verklaring van 6 april 2021 zegt eiser dat hij sliep op de [locatie 2] en dat hij vanaf 30 januari bij zijn ex-partner slaapt. Op de zitting heeft eiser voor het eerst verklaard dat hij inderdaad niet bij het Leger des Heils verbleef, maar dat hij buiten in de [locatie 1] sliep. Dat is tegenstrijdig met zijn verklaring van 6 april 2021. Deze nieuwe stelling is door eiser op geen enkele manier onderbouwd. Het is dus voor verweerder nog steeds niet vast te stellen waar eiser in de te beoordelen periode wel heeft verbleven. Eiser heeft dus niet de juiste informatie verstrekt over zijn verblijfplaats. Alleen al hierom heeft verweerder de aanvraag om bijstand terecht afgewezen.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. van Ettikhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
16 december 2021 en zal worden gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Zie een uitspraak van de CRvB van 8 september 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2110)
2.Zie een uitspraak van de CRvB van 7 april 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:879)