Eiser kreeg per 6 juli 2020 geen Ziektewetuitkering meer omdat hij op 22 april 2020 meer dan 65% van zijn maatmanloon zou kunnen verdienen. Verweerder verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep en stelde in een tussenuitspraak vast dat de motivering van verweerder onvoldoende was, met name over de urenbeperking vanwege behandeling bij een therapeut zonder BIG-registratie.
Verweerder kreeg de gelegenheid de gebreken te herstellen en diende een aanvullend rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep in. Deze arts concludeerde dat de alternatieve therapie geen medische indicatie heeft en geen basis kan vormen voor een urenbeperking. Verweerder motiveerde dit met verwijzing naar de Standaard Duurbelastbaarheid in arbeid, waarin een BIG-registratie vereist is.
De rechtbank volgde deze motivering en oordeelde dat de gebreken waren hersteld. De zienswijze van eiser bracht geen nieuwe feiten die een herziening van de tussenuitspraak rechtvaardigen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. Verweerder werd opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.