ECLI:NL:RBMNE:2022:1975
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning vastgesteld op €1.567.000
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vastgestelde WOZ-waarde van een woning centraal. Verweerder stelde de waarde per 1 januari 2020 vast op €1.670.000, welke na bezwaar werd verlaagd naar €1.567.000. Eiser betwist deze waarde en vordert een lagere vaststelling van €1.234.269.
De rechtbank overweegt dat verweerder de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat de WOZ-waarde de waarde in het economisch verkeer weerspiegelt. Verweerder onderbouwde zijn standpunt met een taxatiematrix waarbij vijf referentiewoningen in de directe omgeving werden vergeleken. De rechtbank acht deze referenties voldoende vergelijkbaar en de gehanteerde methode betrouwbaar.
Eiser voerde diverse bezwaren aan, waaronder het niet meenemen van een verkoopreferentie, de invloed van een nabij te bouwen crematorium, ultrafijnstof, een stinkende watergang en de aanwezigheid van asbest. De rechtbank oordeelt dat deze factoren reeds voldoende zijn verdisconteerd in de gehanteerde referenties en dat de waardevermindering wegens asbest reeds is meegenomen.
Ook de stijging ten opzichte van het voorgaande belastingjaar is volgens de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de waarde onjuist is vastgesteld. Gezien de onderbouwing en het ontbreken van voldoende bewijs voor een lagere waarde, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.567.000 wordt ongegrond verklaard.