Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2022 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
Inleiding
Overwegingen
Beoordelingskader
Oordeel rechtbank
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster diende een verzoek in tot immateriële schadevergoeding nadat het UWV ten onrechte haar Ziektewet-uitkering stopzette per 13 augustus 2019, terwijl zij hier tot 21 januari 2020 recht op had. De rechtbank had eerder geoordeeld dat het besluit onrechtmatig was en de uitkering per 21 januari 2020 moest worden voortgezet.
Verzoekster stelde dat zij door het onrechtmatige besluit geestelijk letsel had opgelopen, onderbouwd met huisartseninformatie over een terugval in middelengebruik. De rechtbank concludeerde echter dat deze terugval niet was veroorzaakt door het onrechtmatige besluit, maar door andere factoren zoals persoonlijke omstandigheden en eerdere verslavingsproblemen.
De rechtbank oordeelde dat psychisch onbehagen zoals stress, schaamte en spanning onvoldoende is voor toekenning van immateriële schadevergoeding. Ook het argument dat verzoekster in haar eer of goede naam was aangetast, werd onvoldoende onderbouwd.
Op grond van de toepasselijke bestuursrechtelijke en civielrechtelijke normen werd het verzoek afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van schade door het onrechtmatige besluit.