ECLI:NL:RBMNE:2022:5440
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van seksueel misbruik stiefkind
De rechtbank Midden-Nederland behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van seksueel binnendringen en ontucht met zijn stiefkind, die destijds tussen 12 en 16 jaar oud was. De tenlastelegging betrof handelingen gepleegd tussen 2000 en 2003 op diverse locaties. De rechtbank verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk voor het subsidiair ten laste gelegde feit wegens verjaring.
De rechtbank beoordeelde de betrouwbaarheid van de aangifte van het slachtoffer als gedetailleerd en consistent, maar constateerde dat de verklaringen onvoldoende werden ondersteund door andere bewijsmiddelen zoals getuigenverklaringen van de moeder en ex-vriend. Deze verklaringen bevatten vooral algemene informatie en ontbraken zelfstandige waarnemingen die het misbruik konden bevestigen.
Ook werd het gebruik van schakelbewijs onderzocht, waarbij een eerdere aangifte van een andere stiefdochter werd betrokken. De rechtbank vond onvoldoende overeenkomsten in de modus operandi om van een herkenbaar patroon te spreken en verwierp het gebruik van schakelbewijs.
Gelet op het ontbreken van voldoende ondersteunend bewijs en schakelbewijs achtte de rechtbank het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en sprak verdachte vrij. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van seksueel misbruik van zijn minderjarige stiefkind.