ECLI:NL:RBMNE:2023:1895
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onroerendezaakbelasting en kwalificatie woning versus niet-woning
Eiser is eigenaar en gebruiker van een onroerende zaak bestaande uit opslagruimte, kantine, entresol en een woning. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde vast en legde aanslagen OZB op voor het belastingjaar 2021, waarbij het niet-woningstarief werd gehanteerd voor de gebruiker.
Eiser maakte bezwaar tegen de aanslagen en stelde dat de onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dient, waardoor het niet-woningstarief onterecht is toegepast. Tevens stelde eiser dat hij in zijn procespositie was geschaad door het late indienen van het verweerschrift.
De rechtbank oordeelde dat het verweerschrift tijdig was ingediend en dat eiser niet in zijn procespositie was geschaad. Juridisch is vastgesteld dat een onroerende zaak als woning wordt aangemerkt indien ten minste 70% van de WOZ-waarde aan woondelen kan worden toegerekend. Uit de taxatie bleek dat slechts 52% van de waarde aan woondelen toebehoorde.
De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat de ruimtes als woningdelen moesten worden aangemerkt en bevestigde dat de heffingsambtenaar terecht het niet-woningstarief heeft toegepast. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de heffing van OZB-gebruiker en het niet-woningstarief voor OZB-eigenaar wordt bevestigd.