ECLI:NL:RBMNE:2023:2104
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering
Eiser ontvangt sinds 1999 een WAO-uitkering vanwege rugklachten. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering in 2021, die werd afgewezen, heeft het UWV een herzieningsbesluit genomen waarbij de WAO-uitkering werd verhoogd naar een arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat het UWV het verzoek van eiser terecht heeft opgevat als een verzoek om herziening van de WAO-uitkering.
De kern van het geschil betreft of de toegenomen beperkingen van eiser voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor de WAO-uitkering oorspronkelijk is toegekend. Het UWV baseerde zich op rapportages van verzekeringsartsen die oordeelden dat fibromyalgie en spanningsklachten nieuwe, niet-verzekerde klachten zijn. De rechtbank stelt echter vast dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is, met name ten aanzien van de relatie tussen rugklachten en fibromyalgie in de periode 1999-2004.
De rechtbank vernietigt het besluit vanwege strijd met het motiveringsbeginsel (art. 7:12 Awb Pro) maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat in hoger beroep een nadere motivering is gegeven die de rechtbank kan volgen. Tevens veroordeelt de rechtbank het UWV in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.