De zaak betreft een kort geding waarin [eiseres] vordert dat [gedaagde] haar loon en ziekengeld betaalt over januari en februari 2023 en voor de toekomst. Er bestaat onduidelijkheid over de werkgever, omdat [eiseres] eerder bij een gelieerde vennootschap werkte die failliet is verklaard.
De kantonrechter acht op basis van de arbeidsovereenkomst, salarisstroken en het standpunt van het UWV voldoende aannemelijk dat [eiseres] in dienst is van [gedaagde]. De door [gedaagde] ingebrachte arbeidsovereenkomst met de gelieerde vennootschap wordt betwist en de kantonrechter twijfelt aan de betrouwbaarheid daarvan.
[gedaagde] heeft sinds januari 2023 geen loon betaald, terwijl [eiseres] zich ziek heeft gemeld vanwege Covid. De kantonrechter wijst het verweer van [gedaagde] dat de ziekte in scène is gezet af wegens onvoldoende onderbouwing.
De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] tot betaling van het achterstallige ziekengeld over januari en februari 2023, inclusief wettelijke verhoging en rente, en tot betaling van het toekomstig loon tot rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Tevens worden buitengerechtelijke kosten en proceskosten toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.