In deze bestuursrechtelijke uitspraak beoordeelt de rechtbank Midden-Nederland twee zaken van eiser tegen het college van bestuur van zijn voormalig werkgever, beide gerelateerd aan verzoeken op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
In zaak UTR 22/5674 verzoekt eiser om informatie over beweringen van het college en een verklaring omtrent een fictief besluit. De rechtbank oordeelt dat dit verzoek niet kwalificeert als een AVG-verzoek omdat het te algemeen en onvoldoende gespecificeerd is. Het college had het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van dit verzoek niet-ontvankelijk moeten verklaren, en de rechtbank vernietigt het besluit op bezwaar en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.
In zaak UTR 22/5331 gaat het om een AVG-verzoek van eiser om inzage in persoonsgegevens met betrekking tot zijn functie-indeling binnen een onderzoeksgroep. Het college wees dit verzoek af wegens het repetitieve en buitensporige karakter, wat door de rechtbank wordt bevestigd. De rechtbank stelt dat het recht op inzage niet onbeperkt is en dat het college voldoende heeft aangetoond dat het verzoek buitensporig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
De rechtbank wijst verder proceskostenveroordelingen af en draagt het college op om het griffierecht aan eiser te vergoeden in zaak UTR 22/5674. De uitspraak is gedaan door rechter A.A.M. Elzakkers en griffier L.E. Mollerus op 8 september 2023.