Uitspraak
20.2636 AW, 20/2637 AW
mr. R. van Mansfeld, beiden advocaat, en mr. W.E. Grimmelikhuijsen.
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker was sinds 1987 werkzaam bij een universiteit en werd ontslagen na opheffing van zijn functie in het kader van een reorganisatie. Na eerdere afwijzingen van herzieningsverzoeken tegen de uitspraak van 4 april 2013, richtte verzoeker zich opnieuw tot de Centrale Raad van Beroep met een vijfde verzoek om herziening.
Hij stelde onder meer dat er geen deugdelijke bekendmaking was van zijn indeling bij een subonderzoeksgroep en dat er sprake was van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens. De Raad oordeelde dat de aangevoerde stukken en argumenten niet voldeden aan de criteria voor herziening volgens artikel 8:119 Awb Pro, omdat het geen nieuwe feiten of omstandigheden betrof die tot een andere uitspraak konden leiden.
De Raad benadrukte dat herziening niet bedoeld is voor het heropenen van de discussie over de zaak en merkte op dat het doen van een vijfde verzoek om herziening grenst aan kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De Raad adviseerde verzoeker zich neer te leggen bij de eerdere uitspraak en een zesde verzoek achterwege te laten. Het verzoek werd afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.