ECLI:NL:RBMNE:2023:5356
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde winkel met vergoeding immateriële schade
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een winkelpand met waardepeildatum 1 januari 2020, waarbij de heffingsambtenaar de waarde had vastgesteld op €511.000. Eiseres stelde een lagere waarde van €300.000 voor, maar de rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede op basis van een recente kooptransactie en huurgegevens.
De rechtbank verwierp de stelling van eiseres dat de coronacrisis een bijzondere omstandigheid vormde die een andere waarderingsdatum rechtvaardigde, omdat op de waardepeildatum nog geen sprake was van die crisis. Ook werden de door eiseres aangevoerde bezwaren tegen de huurprijs en het gebruik van het verkoopcijfer niet gevolgd.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de bezwaar- en beroepsprocedure langer dan de redelijke termijn had geduurd, waardoor de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €50 aan eiseres. Verzoeken tot vergoeding van griffierecht en proceskosten werden afgewezen omdat het beroep ongegrond was en er geen sprake was van onredelijk procesgedrag.
De uitspraak werd gedaan door rechter J.R. van Es-de Vries op 27 september 2023 in Utrecht. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar moet €50 immateriële schadevergoeding betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.