Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
3.Het verzoek en het tegenverzoek
4.De beoordeling
In het verzoek
132,--
Rechtbank Midden-Nederland
De werknemer trad op 11 april 2023 in dienst bij de werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van zes maanden, met een tussentijds opzegbeding. Op 8 augustus 2023 ondertekende de werknemer een schriftelijke verklaring waarin zij instemde met verlenging van de arbeidsovereenkomst tot 30 april 2024. De werknemer zegde de overeenkomst op 7 september 2023 op met een kortere opzegtermijn dan vereist. De werkgever vorderde daarop een gefixeerde schadevergoeding wegens voortijdige opzegging.
De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst inderdaad was verlengd en dat het tussentijdse opzegbeding uit de Modelovereenkomst ook op de arbeidsovereenkomst van toepassing was. De werknemer had echter onvoldoende opzegtermijn in acht genomen, waardoor zij een schadevergoeding verschuldigd was gelijk aan het loon over vier werkdagen. Omdat de werkgever het loon over die dagen aan de werknemer verschuldigd was, gingen de vorderingen teniet door verrekening.
Daarnaast vorderde de werknemer betaling van achterstallige omzetvergoeding, salaris voor een extra werkdag, niet opgenomen vakantie-uren, onterecht ingehouden vakantie-uren en vakantiebijslag. De kantonrechter kende deze bedragen toe, inclusief wettelijke rente en verhoging. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Verzoek werkgever tot gefixeerde schadevergoeding afgewezen; werknemer krijgt achterstallig salaris, omzetvergoeding, vakantiedagen en vakantiebijslag toegewezen.