ECLI:NL:RBMNE:2024:338
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voorlopige aanslag zuiveringsheffing ongegrond wegens onjuiste beroepsgronden
Eiser maakte bezwaar tegen een voorlopige aanslag zuiveringsheffing voor het belastingjaar 2021, opgelegd door de heffingsambtenaar. Na een ongegrondverklaring van het bezwaar stelde eiser beroep in bij de rechtbank. De beroepsgronden richtten zich onterecht op de WOZ-waarde, terwijl deze niet relevant is voor de aanslag zuiveringsheffing.
De rechtbank oordeelde dat eiser wel procesbelang heeft, ondanks het bestaan van een definitieve en onherroepelijke aanslag. De inhoudelijke gronden van het beroep waren echter onvoldoende onderbouwd en de heffingsambtenaar had adequaat gereageerd op de tijdens de hoorzitting naar voren gebrachte bezwaren.
Eiser verzocht tevens om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank verlengde de redelijke termijn met 12 maanden vanwege de beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde van eiser, die daardoor de duur van de procedure heeft doen oplopen. Hierdoor is de redelijke termijn niet overschreden en werd het verzoek afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en bepaalde dat eiser geen griffierecht terugkrijgt. Tevens werd een afschrift van de uitspraak aan eiser zelf verzonden vanwege het procesgedrag van zijn gemachtigde.
Uitkomst: Het beroep tegen de voorlopige aanslag zuiveringsheffing wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.