Verzoekster trad in oktober 2022 in dienst als pedagogisch medewerker bij verweerster. In juli 2024 werd zij op staande voet ontslagen wegens vermeend onaanvaardbaar gedrag en het werken bij een concurrerend kinderdagverblijf tijdens arbeidsongeschiktheid.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was omdat de dringende reden niet was komen vast te staan. Het werken bij het concurrerende kinderdagverblijf werd betwist en onvoldoende bewezen, en de eerder besproken gedragingen waren niet ernstig genoeg voor ontslag op staande voet.
Desondanks werd de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens een ernstig verstoorde arbeidsverhouding, waarbij herplaatsing niet mogelijk was. Verweerster werd veroordeeld tot betaling van loon tot het einde van de arbeidsovereenkomst, de wettelijke transitievergoeding en een billijke vergoeding van €10.000 wegens ernstig verwijtbaar handelen door het onterecht ontslag op staande voet.