ECLI:NL:RBMNE:2024:6048
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek kinderbijslag wegens ontbreken nieuwe feiten
Eiser verzocht om herziening van een eerder besluit van de Sociale Verzekeringsbank (SvB) betreffende de toekenning van kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal 2020. Hij stelde dat zijn kinderen vanaf maart 2020 bij hem verbleven en dat het eerdere besluit onjuist was omdat het uitging van een tijdelijke verblijfssituatie. De SvB wees het herzieningsverzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die het eerdere besluit konden wijzigen.
De rechtbank constateerde dat eiser geen bezwaar had gemaakt tegen eerdere besluiten uit 2020 en 2021, waardoor deze besluiten in rechte vaststaan. De rechtbank oordeelde dat de overgelegde stukken geen nieuwe feiten bevatten, omdat deze informatie al bekend was bij de SvB ten tijde van de eerdere besluiten. Tevens was op de peildatum van het tweede kwartaal 2020 nog geen bestendige wijziging in het hoofdverblijf van de kinderen aannemelijk gemaakt.
De rechtbank stelde vast dat het beleid van de SvB juist is toegepast, waarbij een bestendige wijziging wordt aangenomen als de nieuwe situatie langer dan zes maanden duurt. Omdat de situatie pas na de peildatum definitief werd, was het besluit van de SvB om kinderbijslag vanaf het derde kwartaal 2020 toe te kennen niet onmiskenbaar onjuist. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek kinderbijslag wordt ongegrond verklaard.