Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene en zijn ex-partner zijn gescheiden en hebben een zoon die oorspronkelijk bij de ex-partner woonde. Na de echtscheiding ontving de ex-partner de kinderbijslag. In mei 2021 ging de zoon bij betrokkene wonen. Betrokkene vroeg kinderbijslag aan vanaf het derde kwartaal 2021, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde deze uit te betalen, omdat de hoofdverblijfplaats formeel nog bij de ex-partner lag en de feitelijke situatie nog geen bestendig karakter had.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat betrokkene recht had op kinderbijslag over het vierde kwartaal 2021 vanwege de feitelijke situatie en een machtiging tot uithuisplaatsing. De Svb ging in hoger beroep en stelde dat op de peildatum 1 oktober 2021 nog geen sprake was van een bestendige wijziging van de hoofdverblijfplaats, mede omdat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) geen instemming had gegeven en de ex-partner zich verzette.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de Svb terecht uitgaat van de formele hoofdverblijfplaats en de termijn van zes maanden gehanteerd moet worden om van een bestendige wijziging te spreken. Op 1 oktober 2021 was deze termijn nog niet verstreken, zodat de kinderbijslag nog aan de ex-partner toekomt. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de kinderbijslag voor het vierde kwartaal 2021 blijft aan de ex-partner toegekend.