Eiseres was in dienst bij Stichting [naam werkgever] en heeft op 19 juni 2023 een vaststellingsovereenkomst getekend waarin het dienstverband per 1 juli 2023 werd beëindigd. Het UWV kende een WW-uitkering toe vanaf 1 september 2023, wat eiseres betwistte en bezwaar tegen maakte. De rechtbank behandelde het beroep en stelde vast dat het UWV het besluit van 16 november 2023 niet tijdig had verzonden, waardoor het beroep ontvankelijk was.
De kern van het geschil betrof de datum waarop de beëindiging van het dienstverband schriftelijk was overeengekomen. Eiseres stelde dat dit al op 17 april 2023 was gebeurd, gebaseerd op e-mailcorrespondentie na een gesprek op 27 maart 2023. De rechtbank oordeelde dat uit de e-mails blijkt dat partijen schriftelijk overeenstemming hadden bereikt over de beëindiging van het dienstverband op 17 april 2023.
De rechtbank verwierp het standpunt van het UWV dat de vaststellingsovereenkomst pas op 19 juni 2023 was getekend en dat alle essentialia schriftelijk moesten zijn vastgelegd. Volgens de rechtbank is voor het recht op WW-uitkering van belang dat de schriftelijke overeenstemming over de beëindiging is bereikt, niet dat alle details van de vaststellingsovereenkomst zijn afgerond.
Op basis hiervan stelde de rechtbank vast dat de fictieve opzegtermijn liep tot en met 30 juni 2023, zodat eiseres recht heeft op WW-uitkering vanaf 1 juli 2023. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit van het UWV vernietigd voor zover het de uitkering vanaf 1 september 2023 toekende, en de WW-uitkering vanaf 1 juli 2023 toegekend. Tevens werd het griffierecht aan eiseres vergoed.