ECLI:NL:CRVB:2013:2319
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schriftelijkheid beëindigingsovereenkomst en opzegtermijn WW
Betrokkene was sinds 1992 in dienst bij werkgeefster en sloot op 1 oktober 2010 een vaststellings- en beëindigingsovereenkomst waarbij de arbeidsovereenkomst zou eindigen per 1 februari 2011. Betrokkene vroeg op 7 december 2010 een WW-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen met verwijzing naar een opzegtermijn.
Betrokkene maakte bezwaar tegen deze afwijzing, stellende dat de schriftelijke overeenkomst al op 30 september 2010 was bereikt via een e-mail van werkgeefster. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat op 30 september 2010 volledige overeenstemming bestond, maar dat de schriftelijkheid niet was voldaan. De rechtbank vernietigde het besluit en gaf opdracht tot hernieuwde beslissing.
De Centrale Raad van Beroep stelt dat de schriftelijkheid pas is vervuld met de ondertekening van de overeenkomst op 1 oktober 2010, omdat betrokkene of diens gemachtigde niet schriftelijk had bevestigd vóór die datum. Hierdoor begint de fictieve opzegtermijn op 1 oktober 2010. Het beroep van betrokkene is ongegrond en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard omdat de schriftelijke beëindigingsovereenkomst pas op 1 oktober 2010 tot stand kwam.